← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 876 — HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.

Reading edition

De overeenkomst schijnt het karakter eener stilzwijgende minnelijke schikking gehad te hebben. De Nederlanders lieten de Denen in hun vischwater toe en dezen zullen zeker verheugd geweest zijn voor het verleende verlof en de genoten bescherming in alle voorwaarden toe te stemmen, die de Nederlanders maken wilden. In werkelijkheid waren de Denen verreweg de minderen en aan de aanspraken van Christiaan IV, waardoor hij zich de meerdere wilde toonen, hebben beide partijen waarschijnlijk in 1617, toen de praktijk zijne eischen deed gelden, niet gedacht.—Zie hierover: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150, II p. 442, 632.—Req. der N. C. c. Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Sent. van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629. („Zijluijden stonden malcanderen de possessie toe, sijnde tusschen zijne Mat. ende de Ho: Mo: Heeren de Staten Generael te demeleren off ijemant, off wie van beijden alleen ende priuatiue ter dier plaetse het gesach soude mogen hebben,” zeiden de Denen.)

[877] Brief v. Heley aan Deicrowe dd. 12 Aug. 1617, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 732.—De Nederlandsche berichten weten echter slechts van éen schip. (Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442, 632.)

[878] Muller, Mare Clausum. p. 162.

[879] Lindeman, Arktische Fischerei der Deutschen Seestädte. p. 9.

[880] Ook volgens de Engelsche berichten vischten de Denen bij de Nederlanders. (Brieven der Eng. walvischvaarders, o. a. van Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings