← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 979 — HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.

Reading edition

Eigenlijk zegt de Instructie der ambassade van 1639 (bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 632), dat het waren „twee Schepen van Amsterdam, toebehoorende aen de Bewinthebbers van de Noordtsche Compagnie.” Daar echter de N. C. zelve zich voor de schepen in de bres stelde, komt het mij voor, dat de woorden moeielijk anders verstaan kunnen worden dan ik in den tekst deed, te meer daar een inbreuk op het octrooi door de bewindhebbers zelven toch onwaarschijnlijk is.—De Denen beweerden, dat de schepen behoorden aan zekeren „Jochim Melchert,” die het verlof om naar Spitsbergen te varen en in de opene zee te visschen gekocht had van de bewindhebbers van de Amsterdamsche kamer der N. C. (Antw. v. Christ. IV dd. 7 Oct., in: Verbaal der ambass. v. 1639—Br. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Ik heb den oorsprong van dit verhaal niet kunnen opsporen. Zie de plechtige verklaring der Stn.-Gen. over de onwaarheid daarvan in hunnen brief aan Christiaan IV dd. 29 Mrt. 1639. (L D. 1639.)

[980] Het verhaal is ontleend aan de berichten in de: Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639, en in de: Instructie van de Staten Generael.... voor de Heeren.... Burgh.... ende Conders van Helpen, .... gaende in Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken, dd. 14 Mei 1639.—Zie ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings