Note 855 — HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.
Reading edition
Br. v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 731.—Fotherby noemt hem eigenlijk „Captaine Killingham”, maar ik geloof, dat de gissing niet gewaagd is, dat hier Sir John Cunningham bedoeld wordt, die reeds in 1605 en 6 in Deenschen dienst naar de Noordpool gezeild was. (Barrow, Voyages into the arctic regions, p. 169, 73.—Vgl. over hem: hiervóor p. 213 Noot 2.)
[856] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.—Vadun (ook Vaden genoemd) was reeds in 1611 als kapitein van het schip The Amitie ter ontdekking naar Pechora en den Ob gezeild. Zie over die reis: Purchas, Pilgrimes. III p. 530-34.
[857] Brief v. Fotherby aan Edge dd. 15 juli 1615, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 731, 32.
[858] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.—Macpherson, Annals of commerce. II p. 282.
[859] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 13 April 1616, in: L. D. 1616.—De Nederlanders waren op de aanmatiging der Denen eenigszins voorbereid, zooals blijkt uit de mededeeling in de N. Z. 28 Mei 1615 over de uitrusting van acht Deensche oorlogschepen tegen de walvischvaarders.
[860] Aanleiding tot het plotseling handelend optreden van Denemarken gaf, zoo men hunne tegenstanders gelooven mag, de onvoorzichtige handelwijze van de Amsterdamsche bewindhebbers der N. C., die in 1615 eene afzonderlijke compagnie voor de walvischvangst aan de Noordkaap oprichtten en daartoe verlof van Denemarken vroegen tegen betaling van den tienden visch. Christiaan IV zou daardoor op het denkbeeld gekomen zijn om „van allen ende een ijgelicken noort op visschende gelijcke proffijt te trecken”, onder voorwendsel dat alle noordelijke landen aan de Deensche kroon behoorden. Zoo zou de N. C. de Denen „opt lijff gecregen” hebben. („Cort advertissement” en „Debath” v. Kien en Leversteyn tegen de N. C. van 1616, in: Noordsche togten. 1. R.-A.)