← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 871 — HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.

Reading edition

De Staten-Generaal waren echter nog niet dadelijk gerust gesteld; zie over verdere maatregelen tot bescherming der walvischvaarders tegen Denemarken genomen: Arend, Alg. gesch. des vaderl. III, 3. p. 2. De berichten over Deensche oorlogschepen, die tegen de Nederlandsche walvischvaarders uitgerust werden (R. S.-G. 13 Mei 1617), bleken echter onjuist en het volgende jaar 1618 waren de Staten reeds zoo zeker van hunne zaak, dat zij in de Instructie der ambassade naar Denemarken (Culemborg c. s) zich ter verdediging hunner beweringen over de O.-I. aangelegenheden durfden beroepen op de „missiuen, by syne Mat. (van Denemarken) selffs, belangende den Groenlandtschen handel, met exclusie ende verboth van andere natien, Inde voorledene Jaren (d. i. in 1616) geschreven.” (Instr. der ambass. naar Denem. dd. 21 Mei 1618, art. 36.)

[872] Reeds boven (p. 239 Noot 3, 4) haalde ik de woorden der Engelsche walvischvaarders over de Deensche indringers aan. Ook verder schijnt de verhouding voorloopig niet zeer vriendschappelijk geweest te zijn, althans in 1618 kwam een Deensch gezant, Dr. Jonas (Charisius?) te Londen om te onderhandelen over de onaangenaamheden, tusschen de beide natiën door de uitsluitende pretensiën van Denemarken ontstaan. (Carleton, Lettres. II p. 217.) Men hoopte de zaak nog te schikken, maar het mislukte: in 1619 waren Engelschen en Denen nog niet „geaccordeert.” (Muller, Mare Clausum. p. 162 Noot 3.) Eerst in 1621 kwam de in den tekst vermelde overeenkomst tot stand. (Miss. v. Chr. IV aan de Bremensche ambass. dd. 10 Jan. 1622 en het medegedeelde hierover uit het Hamburgsche archief bij: Lindeman, Arkt. Fischerei der Deutschen Seestädte. p. 10.—Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. R.-A.—Vgl. de verklaring van Jakob I bij: Muller, Mare Clausum. p. 194.—Het tractaat zelf heb ik nergens gevonden: in het Engelsch-Deensche tractaat van 19 April 1621, bij: Dumont, Corps diplomat. V, 2. p. 391 vind ik de bepaling niet.) De geschiedenis der Engelsch-Deensche betrekkingen vertoont dus in het kort denzelfden gang als de Nederlandsch-Deensche.—Uit het medegedeelde blijkt voldoende, hoe ongegrond de geruchten waren, die verhaalden, dat de Engelschen eene recognitie aan Denemarken betaalden om aan Spitsbergen te mogen visschen. (Zie o. a. Hist. du pays de Spitsb. p. 26.—R. S.-G. 4 Jan. 1636.—Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28 Mei 1639, in: L. D. 1639.) Christiaan IV zelf beweerde het eenmaal (Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442); ik geloof echter, dat er hier eene verwarring bestaat met de vaart op de Noordkaap, IJsland enz., waarover Engeland werkelijk en terecht met Denemarken in den aangeduiden zin onderhandelde (Selden, Mare Clausum. p. 241, 42), ten minste in 1633 verklaarde Christiaan IV, dat hij aan de Engelschen en Nederlanders de visscherij aan Spitsbergen toeliet „uijt goede Nabuijrlicke vruntschap ende om dat sij langen tijt hadden geweest in possessie.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.)

[873] Secr. Instr. der ambassade naar Denemarken dd. 2 Aug. 1621, art. 2.

[874] Het bij deze gelegenheid verhandelde over verbodene havens heeft sommigen tot eene tegenovergestelde conclusie geleid. Ten onrechte, want toen de Nederlandsche ambassadeurs bezwaar maakten om in het tractaat van die verbodene havens te spreken, toonden de Denen zich dadelijk bereid deze zaak op te geven onder verklaring, dat zij daarmede „geene andere haeuens meenden dan eenige weijnige plaetskens tot den Conincklycken dis ouer eenige hondert Iaren gepriviligeert zoo dat de eygene onderdaenen vanden Coninck daer op niet en vermochten te comen, noemende Ysland ende twee ofte drye andere cleijne soo sy seyden ende ons onbekende Eylandekens, alwaer d’onderdaenen van hare Ho: Mo: niet gewoon waeren te comen.” (Verbaal der Deensche ambass. v. 1621 ad 25 Aug.—Vgl. Arend, Alg. gesch. des vaderl. III, 3. p. 608, 9, 652-59.) Ook in het Deensche tractaat van 19 April 1621 met Engeland, dat in de Spitsbergsche quaestie tegenover Denemarken hetzelfde belang had als Nederland, vindt men in art. XIV van die verboden havens („Portus prohibiti”) gesproken. (Dumont, Corps diplomat. V, 2. p. 391.)

[875] Zie daarover hiervóor p. 225-27.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings