← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 962 — HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.

Reading edition

Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 20/30 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

[963] Van Deensche zijde werd tevens beloofd, dat men moeite zou doen de intrekking van het Fransche octrooi te verkrijgen. (Miss. v. Van Cracouw dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.) Spoedig werden echter pogingen aangewend, die met deze belofte streden. De Basken, eenmaal op Spitsbergen toegelaten, hadden zich niet laten verdrijven. Christiaan IV besloot toen, op nieuw te trachten, van hen zooveel voordeel te trekken als mogelijk was. Op het laatst van 1635 verscheen zijn natuurlijke zoon aan het Fransche hof en poogde te bewerken, dat de Basken, die op Spitsbergen voeren, van den koning van Denemarken paspoorten verzoeken en hem recognitie betalen zouden. De gezant der Staten, Pauw van Heemstede, werkte dit dadelijk tegen door het voordragen van het halfslachtige Nederlandsche sustenu: „dat die vaert ende visscherije op de voorszeide van nieuws ondeckte landen ende eijlanden vry ende niemant subiect is, behalven dat d’ eerste inventeurs ende ontdeckers by preferentie mogen ende behooren te genieten de plaetsen bij haer tot so grote costen ende periculen ondeckt ende bevischt.” (Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L. F. 1636.—R. S.-G. 4 Jan. 1636.) De zaak schijnt geen verder gevolg gehad te hebben, en eerlang staakten de Basken hunne tochten. (Verbaal der ambass. naar Denem. v. 1639 ad 7 October.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings