Note 985 — HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.
Reading edition
Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
[986] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.—Instr. der ambass. v. 1639.
[987] Zie over Van Cracouw’s onderhandelingen tot de aankomst der Nederlandsche ambassade: Missive v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 4, 11 Mrt., 14 Apr., 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.—R. S.-G. 24, 29 Mrt. 1639.—R. H. 24, 25 Mrt. 1639.—Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christ. IV en aan Van Cracouw dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[988] Die verhalen bleken echter onjuist; lang schijnt men geweifeld te hebben, maar eindelijk bleven de schepen liggen. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28, 31 Mei, 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.) Nog den 9 Augustus waren zij niet vertrokken. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambassade van 1639.)
[989] Als reden daarvoor werd opgegeven, dat „de traen in reputatie gehouden” moest worden, en dat bij voortduring van concurrentie de beide compagniën „sich souden consumeeren” en de vaart op Spitsbergen te niet gaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)
[990] Toch geloof ik niet, dat dit nu de bedoeling van Christiaan IV was. Uit allerlei omstandigheden blijkt dit overtuigend. Om iets te noemen: men beweerde, dat Vhlefeldt na het nemen der beide schepen aan alle Nederlandsche walvischvaarders eene generale insinuatie en protestatie had laten beteekenen, waarbij hij hun uit naam van den koning op hooge boeten verbood, voortaan zonder Deensche commissiën en verlofsbrieven aan Spitsbergen te verschijnen. (Miss. der Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Deze handeling werd te Kopenhagen dadelijk gedesavoueerd, als zonder last gedaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Misschien had de insinuatie van Vhlefeldt betrekking op de visscherij aan de Noordkaap, die altijd aan vreemdelingen verboden was. (Zie hiervóor p. 240 Noot 1.) De Deensche oorlogschepen werden ten minste in volle zee op verren afstand van Spitsbergen het eerst gezien, en de kanselier Fries verklaarde bij deze gelegenheid uitdrukkelijk, dat zijn meester niet voornemens was de walvischvangst aan de Noordkaap zonder zijne paspoorten toe te staan, terwijl Van Cracouw daarbij opmerkte, dat Z. M. „sich scheen te asscribeeren Dominium Maris Septentrionalis Norvegici.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)