Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn.
Reading edition
Vermits wij het woord „onschuld” hebben genoemd en niets willen verzwijgen, moeten wij zeggen dat „zijn Ursula” hem eens, in weerwil van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. ’t Was op een dag, dat zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.
Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.
Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.—Hij was wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? ’t Was ontzettend wat zij gedaan had.—Helaas, het arme meisje had niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. ’t Is inderdaad, dat zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange, zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.
Toen „zijne Ursula” aan ’t einde der laan, met mijnheer Leblanc, terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.
De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?
Dit was „hun eerste twist.”
Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen iemand door de laan ging. ’t Was een gebogen, gerimpelde, grijze invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. ’t Scheen hem zelfs, dat deze oude synicus hem in ’t voorbijhinken een broederlijken, vroolijken lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den hoogsten graad van ijverzucht.—Hij was er misschien, dacht hij, hij heeft misschien iets gezien!—Hij had den invalide willen vernielen.
Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius tegen „Ursula,” hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar ’t kostte veel moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.
Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn liefde schier tot waanzin aan.