← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander.

Reading edition

Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren.

Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden slag snoot hij de kaars met zijn vingers.

Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde weder.

„Als hij maar komt!” bromde hij binnensmonds.

Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten toen de deur geopend werd.

Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht, ’t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen, in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende.

„Kom binnen, mijnheer,” zeide zij.

„Kom binnen, mijn weldoener,” herhaalde Jondrette, haastig opstaande.

De heer Leblanc verscheen.

Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, ’t geen hem een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende.

Hij legde vier Louisd’ors op de tafel.

„Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou,” sprak hij. „Vervolgens zullen wij zien.”

„God beloone ’t u, mijn edele weldoener,” zei Jondrette. Daarop haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in:

„Zend de huurkoets weg!”

Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblanc met beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later kwam zij terug en fluisterde hem in ’t oor:

„’t Is geschied.”

De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet.

Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in ’t maanlicht als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns, die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord, geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand.

Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw, maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de hand gedrukt en gevoelde zich gerust.—Ik zal dien ellendeling kunnen tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij.

Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit te steken.

Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij wenschte te weten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings