← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats.

Reading edition

Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter, zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam, denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter, hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En ’t was een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had.

Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij.

Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder, dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld, zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web dier spinnen moest verscheurd worden.

Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk.

Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen gerucht te maken.

In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijn afgrijzen, ’t welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen.

Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn, zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen, dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen; te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf uren voor zich.

Er was slechts één zaak te doen.

Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette voort met in het oud ijzer te rammelen.

Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat Petit-Banquier.

Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de sneeuw verdoofd. Hij wendde ’t hoofd om, de straat was eenzaam, hij zag niemand, ’t was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij duidelijk stemmen.

Hij zag over den muur, langs welken hij ging.

Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die zacht spraken.

’t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw in de haren.

Toen Marius ’t hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden.

De langharige stiet den andere aan en zeide:

„Met Patron-Minette kan ’t niet missen.”

„Dunkt u?” zei de gebaarde; en de langharige hernam:

„’t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!”

De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch mutsje bibberend:

„’t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken kan voortkomen.”

„Ik zeg u dat ze niet kan mislukken,” hernam de langharige.

Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de Gaîté gezien hadden.

Marius zette zijn weg voort.

Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. ’t Kon de bewuste „zaak” zijn.

Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den besten winkel naar een commissaris van politie.

Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14.

Marius ging er heen.

Hij kocht in ’t voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben.

Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn, en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings