De diepte.
Reading edition
Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te voorschijn; ’t is daar ieder voor zich. Het ik zonder oogen brult, zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel.
De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarend niet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling, verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht naar het volkomene, ’t is de tegenspraak der stof. De mensch wordt er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire.
Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn, van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, is alles edel, zuiver, waardig, eerlijk. Men kan er zich bedriegen, ’t is waar, en men bedriegt er zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang.
Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke diepten, te aanschouwen.
Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn, tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van het kwaad.
Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. ’t Is de haat zonder uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping van alles ten doel.
Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid, de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie, de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie, moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn gewelf is uit onwetendheid samengesteld.
Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol—misdaad.
Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van ’t geen wij geschreven hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis.
Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en wordt in hem het kwaad.