← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Hoe het vijffrancstuk van Marius besteed werd.

Reading edition

Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd, was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door.

Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende kolen in een groot ijzeren komfoor, dat onder den schoorsteen stond. De kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid.

De hitte van ’t vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn, die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn geweest, stond op den schoorsteen.

Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en veroorzaakte geen lucht in ’t vertrek.

De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den poëtischen geest van Marius, die zelfs op ’t oogenblik der handeling nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de verwarde droomen der aarde.

De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken.

Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te verbergen. ’t Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben.

De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers, scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren en rasterwerk.

Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem.

Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen, die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkende op de hoeden der wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met welgevallen doen zeggen:

„Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in te boezemen.”

Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog altijd het contrast aan van jas en pantalon, ’t welk naar Courfeyrac’s meening het ideaal van den dichter daarstelde.

Eensklaps zeide Jondrette luid:

„Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als ’t nu is, zal hij zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt, gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het rijtuig heengaan.”

„En het geld?” vroeg de vrouw.

Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk.

„Wat is dat?” riep zij verwonderd.

Jondrette antwoordde deftig:

„’t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft.”

Na eene poos hernam hij:

„Er zijn twee stoelen noodig.”

„Waarom?”

„Om op te zitten.”

Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw Jondrette koel hoorde antwoorden:

„Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen.”

Haastig opende zij de deur en trad in de gang.

Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed te gaan en er zich onder te verbergen.

„Neem de kaars,” riep Jondrette.

„Neen,” zeide zij, „dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen dragen. De maan schijnt.”

Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats.

Vrouw Jondrette trad binnen.

Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was.

Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande.

„Hier zijn de twee stoelen,” zeide zij, de kamer binnentredende.

„En daar hebt ge de lantaarn,” zei de man. „Ga nu spoedig naar beneden.”

Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen.

Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen.

Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen, die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius afwezig was, gebracht.

’t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius.

Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden; beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn.

De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren.

Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er in had geborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof.

Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was, te voorschijn, en spande den haan.

Dit veroorzaakte een licht knappend geluid.

Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op.

„Wat is dat?” riep hij.

Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon toen te lachen en zeide:

„Hoe dom? ’t Is de wand die kraakt.”

Marius hield het pistool steeds in zijn hand.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings