← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Hoe familienamen ontstaan.

Reading edition

Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van hoeken, ’t welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.

In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.

Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.

Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig te zijn. Wil ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, zult ge een wild dier worden.

Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer de abt!

Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, en Courfeyrac op den koop toe.

Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. ’t Is waar, dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.

Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze laan bracht, ’t geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.

De eerste maal dat het meisje, ’t welk hem vergezelde, met hem op de bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. ’t Was of zij vader en dochter waren.

Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.

Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:

Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind „juffer Lanoire” (de zwarte) en den vader „mijnheer Leblanc” (den witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.

Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.

Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij onbevallig.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings