Marius is verbaasd.
Reading edition
In weinige dagen was Marius Courfeyrac’s vriend. De jeugd is het seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander.
Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts:
„A propos, hebt ge ook een politieke meening?”
„Wat?” zei Marius door die vraag schier beleedigd.
„Wat zijt ge?”
„Democraat-Bonapartist.”
„De grijze kleur van de geruste muis,” zei Courfeyrac.
Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in ’t Café Musain. Daar fluisterde hij hem glimlachend toe: „ik moet u entrée bij de revolutie geven.”—En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: „Een leerling.”
Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter, hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend.
Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillende meeningen trachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte, literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder ’t zich zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt, waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn.
Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog beschroomden geest hinderde.
Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd classiek treurspel aankondigde.—„Weg met het treurspel, waarmeê de burgerlui zoo hoog loopen!” riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre antwoorden:
„Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels, die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen, die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn. Smartekreten, die ons doen lachen,—dat zijn haar grillen. En daar het gevogelte naast den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet tegenover de tragedie der ouden zou staan.”
Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm en zeide:
„Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis.”
En Enjolras duwde Courfeyrac toe:
„Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. ’t Is waar: hij verloochende zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan.”
Geen der jongelieden sprak ooit het woord: „keizer” uit. Alleen Jean Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras zeide Buonaparte.
Marius was wel eenigszins verbaasd. Initium Sapientiæ—het begin der wijsheid.