Gissingen nopens de letter U.
Reading edition
De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond zijn. De liefde kwam!
Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.—Hij is in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. ’t Was zeker dat de jonge dame hem aanschouwde.
Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over ’t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.
Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik op Marius. ’t Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.
Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij den „Worstelaar” ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius begreep hier niets van, en beging deze fout. „De vader” was sinds niet meer zoo stipt, en bracht „zijne dochter” niet dagelijks meer mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.
Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk gehad—olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond had hij in de schemering op de bank, die mijnheer „Leblanc en zijn dochter” zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; deze twee letters waren het eerste wat hij van haar bezat, dierbare letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.
U was ontwijfelbaar de voornaam. „Ursula!” dacht hij, een bekoorlijke naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.
„Ik gevoel er haar geheele ziel in!” riep hij.
Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak had laten vallen.
Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare teekenen blijken.
„O! onschuld!” zei Marius.