En ’t werd licht.
Reading edition
In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn gewone wandeling in het Luxemburg varen, en had sinds bijna zes maanden geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. ’t Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.
Regelrecht ging hij naar „zijn laan,” en zag, toen hij aan het einde ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet Italiaansch, noch Grieksch; ’t was de Parijsche neus, namelijk zoo geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig maakt en de dichters verrukt.
Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers vol schaduw en kuischheid.
Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.
Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.
Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven om zich met bloesem te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.
Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.
Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den voorbijganger als doordrong.
De man was dezelfde gebleven.
Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn wandeling voort, en dacht aan iets anders.
Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, doch zonder zijn oogen naar haar te richten.
De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, waar hij „vader en dochter” als gewoonlijk vond; doch hij lette niet op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging hij dicht voorbij de bank, wijl ’t zoo zijn gewoonte was.