Samenstelling der bende.
Reading edition
Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus, die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal, kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden, en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte.
Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn handwerk in ’t groot dreef; ’t was de monster-polyp van het kwaad, dat het benedenste hol der maatschappij bewoont.
Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de voorbijgangers coups d’états van den laagsten rang uit. Vindingrijke lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar.
Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en regelden het gebruik daarvan.
Patron-Minette was de naam, die aan het onderaardsche genootschap dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal, die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekent Patron-Minette ochtend, zooals entre chien et loup avond beteekent. De naam Patron-Minette kwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een misdaad, welke Lacenaire loochende.—Wie heeft ze gepleegd? vroeg de president.—Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor den rechter, maar duidelijk voor de politie was: „’t Is misschien Patron-Minette.”
Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier eenige namen, die nog in ’t geheugen van sommigen gebleven zijn, en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden.
Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille.
Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord zullen zeggen).
Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben.
Laveuve.
Finistère.
Homère-Hogu, een neger.
Mardisoir.
Dépêche.
Fauntleroy, genaamd Bouquetière.
Glorieux, een ontslagen galeislaaf.
Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont.
Lesplanade-du-Sud.
Poussagrive.
Carmagnolet.
Kruideniers, genaamd Bizarro.
Mangedentelle.
Les-pieds-en-l’air.
Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz.
Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek, en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van den ondergrond der beschaving.
Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen, die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten, sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen in den grond.
Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd bestaan. Horatius spreekt van hen: Ambubaïarum collegia, pharmacopolæ, mendici, mimœ; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is, zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol, ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde namen en dezelfde lichamen niet meer.
Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen.
Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar uit levenden nevel gevormde gestalten; ’t is alsof zij zoodanig met de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een gedrochtelijk leven te voeren.
Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste rangen der maatschappij.