← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Jondrette weent bijna.

Reading edition

Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen, aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren.

Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht, en zeide tot vader Jondrette:

„Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en dekens vinden.”

„Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden,” zei Jondrette tot den grond buigende.—Toen de beide bezoekers daarop het armoedig verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn oudste dochter in ’t oor:

„Nu, heb ik ’t niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm onderteekend?”

„Fabantou,” antwoordde de dochter.

„Dramatisch artist, goed!”

’t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand, die een naam zoekt:

„Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer...”

„Fabantou,” antwoordde Jondrette haastig.

„Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij.”

„Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht.”

Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: „Een leerling van Talma, mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!”

„Arme vrouw!” zei Leblanc.

„Mijn kind gewond!” voegde Jondrette er bij.

Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehouden te schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame.

„Schrei, balk toch!” beet Jondrette haar in ’t oor. Tegelijkertijd kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de behendigheid van een goochelaar.

Het meisje begon luide te krijten.

De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart „zijn Ursula” noemde, naderde haastig, uitroepende:

„Arm, lief kind!”

„Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame,” zei Jondrette. „Dat ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet moeten worden.”

„Waarlijk,” zei de oude heer verschrikt.

Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te schreien.

„Helaas! ja, mijn weldoener,” antwoordde de vader.

Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en heel zacht tot haar:

„Bezie dien man eens nauwkeurig!”

Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn jammerklacht:

„Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd mijner vrouw, een gescheurd hemd! in ’t hartje van den winter. Ik kan niet uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge, mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond, en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. ’t Is de ouderdom, en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, die deugd en goedheid ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult, en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd, eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer, weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari, de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen, mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat, op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen, in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig, een jaar! dat wil zeggen zestig francs.”

Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had.

Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op de tafel.

Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in ’t oor te fluisteren:

„De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog kosten!”

Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken, die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel geworpen.

„Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?”

Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig antwoordde hij:

„Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn.”

„Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen.”

„Mijn weldoener!” riep Jondrette in vervoering.

En hij voegde er zacht bij:

„Bezie hem goed, vrouw!”

Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde zich naar de deur.

„Tot van avond, vrienden!” zeide hij.

„Te zes uren?” riep Jondrette.

„Te zes uren precies.”

De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog der oudste dochter, die zeide:

„Gij vergeet uw overjas”, mijnheer.”

Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om, en antwoordde glimlachend: „Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier.”

„O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig uitgeleide doe.”

„Trek die overjas aan, als ge uitgaat,” antwoordde mijnheer Leblanc; „’t is scherp koud.”

Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine overjas aan.

Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings