Eclips.
Reading edition
Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, dat zij Ursula heette.
Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; ’t was veel, te weten dat zij Ursula heette; maar ’t was eigenlijk ook weinig. Marius had zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.
Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden misslag, een grooten: hij volgde „Ursula.”
Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.
Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.
Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.
Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg den portier:
„Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis is gekomen?”
„Neen,” antwoordde de portier: „’t is de heer der derde verdieping.”
’t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.
„Aan de straat?” vroeg hij.
„Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat,” zei de portier.
„En wat doet deze heer?” hernam Marius.
„Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is.”
„Hoe heet hij?” vroeg Marius.
De portier richtte het hoofd op en zeide:
„Is mijnheer een stille verklikker?”
Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij was iets gevorderd.
„Goed,” dacht hij. „Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping woont.”
Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.
Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijn dochter binnengaan, bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken blik aan.
Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos wachtte Marius den geheelen dag.
Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, tot het licht werd uitgedaan.
Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.
Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.
Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen licht.—Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. ’t Is toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot middernacht; tot één ure ’s ochtends. Geen licht scheen door de vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.
Treurig verwijderde hij zich.
Den volgenden dag,—want hij leefde van den eenen dag op den anderen, er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer—den volgenden dag vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën waren dicht; alles was donker.
Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:
„De heer der derde verdieping?”
„Verhuisd,” antwoordde de portier.
Marius wankelde en zeide stamelend:
„Sinds wanneer?”
„Sinds gisteren.”
„Waar woont hij nu?”
„Ik weet er niets van.”
„Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?”
„Neen.”
De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: „Ha, zijt gij ’t! ge zijt dus werkelijk een verspieder?”