← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Tarief der huurrijtuigen: twee francs in ’t uur.

Reading edition

Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn.

Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte haar woorden te verstaan. Hij kende haar oogen, haar voorhoofd, haar schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk dit goddelijke wezen was, ’t welk hij te midden dezer afzichtelijke schepsels in dit afschuwlijk hol zag. ’t Was hem als zag hij een colibri tusschen padden.

Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen, en dan was ’t weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer.

In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed.

Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat Mouffetard doorreed; ’t rijtuig was reeds ver, en geen middel het in te halen. ’t Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius, als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste en zekerste middel.

Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep:

„Bij ’t uur!”

Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken, voor de borst was zijn overhemd gescheurd.

De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe, en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen.

„Wat?” zei Marius.

„Vooraf betalen!” zei de koetsier.

Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij zich had.

„Hoeveel?” vroeg hij.

„Twee francs.”

„Ik zal u betalen als ik te huis ben.”

De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde de zweep over zijn paard.

Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter leedwezen, en wij moeten ’t erkennen met diepen spijt, dacht hij aan de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast, die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend keerde hij naar zijn woning terug.

Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had ’s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord.

Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den „menschenvriend”, sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen, welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en verontrustende woorden, die ’t voorkomen hebben steeds aan slechte dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, ’t geen doet vermoeden, dat zij ’s nachts werken.

Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken, in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette er nauwelijks op.

Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denken dat de schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen, sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in ’t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings