← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Begin eener zware ziekte.

Reading edition

Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast, kleedde zich, trok handschoenen aan—een ongekende weelde—en wandelde naar het Luxemburg.

Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:

„Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een zeer dom voorkomen.”

Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: „Vermijd overdrijving. Houd u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn zoon.” Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den vijver heên, en eindelijk naar „zijn laan,” maar langzaam en als met weerzin. ’t Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te doen, wat hij alle dagen deed.

Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc en de jonge dame „op hun bank.” Hij knoopte zijn rok tot bovenaan dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.

Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij dacht op dat oogenblik welk een zot boek die „Manuel du Baccalaureat” toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het meisje. ’t Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een zacht blauw licht vulde.

Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog verre van ’t einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij zeer rechtop, om een goed figuur te maken in geval iemand hem van achteren nastaarde.

Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik dat hij voorbijging—als onder het geschut der vesting—voelde hij een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke stem, die de „hare” moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.

Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau als de zijne aan het hoofd zijner éditie van Gil-Blas heeft geplaatst.

Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde hij zich, dat zij naar hem keek, ’t geen hem deed struikelen.

Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil in het midden der laan, en ging zitten, ’t geen hij anders nooit deed, terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in ’t diepst zijner ziel dacht, dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.

Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn gedrag wel wonderlijk moest vinden.

Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in, om dien man, zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.

Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.

Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, toen het ’s avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.

Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes opgevouwen te hebben.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings