Werking der lente.
Reading edition
Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius had zijn gansche ziel voor de natuur geopend; hij dacht aan niets; hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.
Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?
Marius zou ’t niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag alles in. ’t Was een wonderbaar weêrlicht.
Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.
Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling weder gesloten had.
Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die haar dan nabij is.
Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het morgenrood aan den hemel. ’t Is het ontwaken van iets schitterends en onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid der toekomst bestaat. ’t Is een zekere besluitelooze teederheid, die zich toevallig openbaart en wacht. ’t Is een valstrik, welke de onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het te weten de harten vangt. ’t Is een maagd met den blik eener vrouw.
Zeldzaam is ’t, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde wordt genoemd.
Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.