Juffrouw Bougon wordt door verscheidene bliksemstralen getroffen.
Reading edition
Den volgenden dag zag juffrouw Bougon—zoo noemde Courfeyrac de oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon zij werkelijk juffrouw Burgon heette—met de uiterste verbazing, dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.
Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, waar hij dien avond gegeten had.
Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen rok uit!—Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.
Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, dat hij een nijlpaard geleek, ’t welk op een gems jacht maakt. In een oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.—Is dat verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken en de menschen zóó te laten loopen!
Marius ging naar het Luxemburg.
De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.
Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen avond weder aan.
De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.