← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

De mijnen en de mijnwerkers.

Reading edition

De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen een „onder het tooneel” noemt. De maatschappelijke bodem is overal ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen, waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche gewelven der wereld.

Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd, zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische, de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder, op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het buitenste door het binnenste verandert; een verborgen ontzaggelijk gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken, en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te voorschijn? De toekomst.

Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters wordt hier mogelijk.

De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van den wijsgeer.

Een wereld in den toestand van wording.—Welk een ongezien beeld!

Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.

Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers, zonder dat zij ’t weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd wanen, doch ’t niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten, van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in: onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in ’t oog; de laatste, hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien hemelschen blik bezit.

Het oog van den nacht is het andere teeken.

Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.

Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.

Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de galerij der duisternissen, de kolder der blinden. Inferi.

Deze grenst aan den afgrond.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings