Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode.
Reading edition
Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog slechts een half uur scheidde hem van ’t geen zou gebeuren. Hij hoorde zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een zekere siddering denken aan ’t geen gebeuren zou. Zooals met allen het geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast, scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken de koude pistolen betasten.
Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting.
Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam.
Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf hebben gewaand.
Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed.
Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang, en de klink der deur hard oplichten; ’t was Jondrette die te huis kwam.
Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf.
„Ik ben ’t,” zeide hij.
„Goeden avond, vadertje,” riepen de meisjes.
„Welnu?” vroeg de moeder.
„Alles gaat goed,” antwoordde Jondrette, „maar mijn voeten zijn gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen kunnen inboezemen.”
„Gereed om uit te gaan.”
„Zult ge niets vergeten van ’t geen ik u gezegd heb; en alles behoorlijk uitvoeren?”
„Wees gerust.”
„’t Is...” zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet.
Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den beitel dien hij gekocht had.
„Wel,” hernam Jondrette, „is hier gegeten?”
„Ja,” zei de moeder, „drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur had, heb ik ze gekookt.”
„Goed,” hernam Jondrette, „morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.—Alles gaat goed.”
En met zachte stem voegde hij er bij:
„De muizenval is open. De katten zijn er.”
En met nog zachter stem:
„Leg dit in het vuur.”
Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in de houtskolen woelt, en Jondrette hernam:
„Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen.”
„Ja,” antwoordde de moeder.
„Hoe laat is het?”
„Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen.”
„Duivels,” zei Jondrette. „De meisjes moeten op de wacht. Komt hier, kinderen; luistert.”
Er werd gefluisterd.
Wederom verhief zich de stem van Jondrette.
„Is vrouw Burgon uitgegaan?”
„Ja,” zei de moeder.
„Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?”
„Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel, dat het nu zijn etensuur is.”
„Zijt ge er zeker van?”
„Zeker.”
„Om ’t even,” hernam Jondrette, „’t kan geen kwaad te gaan zien of hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien.”
Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder zijn bed.
Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten der deur licht.
„Va!” riep een stem, „hij is uit.”
Marius herkende de stem der oudste dochter.
„Zijt ge binnen geweest?” vroeg de vader.
„Neen,” antwoordde de dochter; „maar hij is uit; want de sleutel is in het slot.”
De vader riep:
„Ga evenwel binnen.”
De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het licht nog afschuwelijker.
Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij ’t bed een spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend, zong zij met haar schorre grafstem:
Nos amours ont duré toute une semaine.
Mais que du bonheur les instants sont courts!
S’adorer huit jours, c’était bien la peine!
Le temps des amours devrait durer toujours!
Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest hooren ademen.
Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide, met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide:
„Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken.”
Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden.
„Nu!” riep de vader, „wat doet ge toch?”
„Ik zie onder het bed en de meubels,” antwoordde zij, terwijl ze heur haar bleef glad strijken; „er is niemand.”
„Kom hier, dadelijk,” brulde de vader, „laat ons geen tijd verliezen.”
„Ik kom, ik kom,” antwoordde zij. „Men heeft in hun kot den tijd voor niets.”
Zij neuriede:
Vous me quittez pour aller à la gloire,
Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en sloot de deur achter zich.
Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep:
„Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug, zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen.”
De oudste dochter bromde:
„Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen.”
„Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!” zei de vader. Zij gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan der voordeur, dat zij op de straat waren.
Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis, waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de deur der onbewoonde kamer had gezien.