← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Dienstaanbieding van de armoede aan de smart.

Reading edition

Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was het, die zijn vijf francs had, ’t was te laat om ze haar terug te vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij zou ze hem bovendien niet wedergeven. ’t Was overigens nutteloos haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te ondervragen; ’t was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief, als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan „den weldadigen heer der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas.”

Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar zij was niet in ’t slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de half opene deur tegenhield.

„Wat is dat?” vroeg hij, „wie is daar?”

’t Was de dochter van Jondrette.

„Zijt gij ’t?” hernam Marius eenigszins ruw, „gij wederom! Wat wilt ge?”

Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag.

„Nu, waarom antwoordt ge niet?” hernam Marius. „Wat wilt ge?”

Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht scheen te ontsteken, en zeide:

„Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?”

„Mij?” zei Marius.

„Ja, u.”

„Mij deert niets.”

„Toch.”

„Neen.”

„Ik zeg u, ja.”

„Laat mij met vrede.”

Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen.

„Luister,” zeide zij, „ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt, zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees ’t nu ook. Ge hebt mij iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen, maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen, in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt, en de zaak komt in orde. Bedien u van mij.”

Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal.

Hij naderde het meisje en zeide:

„Luister.”

Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede en zeide:

„Ha, nu doet gij wel.”

„Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?” hernam hij.

„Ja.”

„Weet ge waar zij wonen?”

„Neen.”

„Poog het voor mij te ontdekken.”

Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden; nu werd het weder van vroolijk treurig.

„Is het dat, wat ge begeert?” vroeg zij.

„Ja.”

„Kent gij hen?”

„Neen.”

„Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen,” hernam zij levendig.

In dat woordje haar, dat zij nu in plaats van hen gebruikte, lag iets bijzonders en scherps.

„Nu, kunt ge ’t doen?” vroeg Marius.

„Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben.”

Er lag in deze woorden „schoone jonge dame” weder iets dat Marius hinderde. Hij hernam:

„Om ’t even! de woning van den vader en van de dochter. Hun woning! hoor?”

Zij zag hem strak aan.

„Wat geeft ge mij?”

„Al wat ge wilt.”

„Al wat ik wil?”

„Ja.”

„Ge zult het adres hebben.”

Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur achter zich dicht.

Marius was alleen.

Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden, alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste belangstelling inboezemden:

„Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb.”

Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den vader van „zijn Ursula?” Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen, zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel!

Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich weder voor het kleine spiegat in den wand.

Hij zag weder in Jondrettes woning.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings