← Table of contents
De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse.

Reading edition

Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse, regeerden van 1830–1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs.

Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen, maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd, breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig, kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden.

De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent bezeten, met een trompet en dit uithangbord: „Babet, dentiste, lid van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van de gelegenheid.” (Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen—een zeldzame uitzondering in de wereld, waarin hij leefde. In den tijd, toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in den Messager gelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen, dat een kalfssnuit had, en hij riep: „Dat heet ik geluk! Mijn vrouw zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!”

Sinds had hij alles verlaten om „Parijs te ondernemen,” zooals hij zich uitdrukte.

Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat hol? ’t Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide: Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren als verrijzenissen uit de aarde.

Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief, zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor, om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede, maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had: Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet had, lag met uitgestrekte armen en met ’t gezicht in een plas bloed, in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun middel, vrouwenheupen, de borst van een pruisisch officier, door al de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das, een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat—zoo was deze moordenaarpronker.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings