← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2)

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Seksueele verschillen.—Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen.—Stemorganen.—Instrumentale muziek.—Liefdespel en dansen.—Versierselen, blijvende en tijdelijke.—Dubbele en enkelvoudige jaarlijksche ruitijd.—Het pronken der mannetjes met hun versierselen.

Voor ik de kenmerken behandel, waarmede wij hier meer in het bijzonder hebben te maken, wil ik eerst wijzen op zekere verschillen tusschen de seksen, die blijkbaar afhangen van verschillen in haar levenswijze; want dergelijke gevallen, hoewel in de lagere klassen algemeen, zijn in de hoogere zeldzaam. Twee kolibri’s, tot het geslacht Eustephanus behoorende, die het eiland Juan Fernandez bewonen, werden lang voor verschillende soorten gehouden, doch men weet nu, gelijk de heer Gould mij meldt, dat het de seksen van de zelfde soort zijn, en zij verschillen eenigszins in den vorm van den snavel. In een ander geslacht van kolibri’s (Grypus) is de snavel van het mannetje langs den rand gezaagd en aan het uiteinde gebogen, en verschilt dus veel van dien van het wijfje. Bij de merkwaardige Neomorpha van Nieuw-Zeeland is er een nog grooter verschil in den vorm van den snavel; en men heeft den heer Gould medegedeeld, dat het mannetje met zijn „rechten en sterken snavel” den bast van de boomen afscheurt, opdat het wijfje zich met haar zwakkeren en meer gekromden snavel zou kunnen voeden met de blootkomende larven. Iets van den zelfden aard zou men wellicht kunnen waarnemen bij den distelvink (Carduelis elegans), want de heer Jenner Weir heeft mij verzekerd, dat de vogelvangers de mannetjes aan hun een weinig langere snavels kunnen onderscheiden. Men vindt de mannetjes gewoonlijk, volgens de getuigenissen van een ouden en geloofwaardigen vogelvanger, zich met zaden van den kaardebol (Dipsacus) voedende, die zij met hun verlengden snavel kunnen bereiken, terwijl de wijfjes zich meer algemeen voeden met de zaden van het helmkruid (Scrophularia). Met een gering verschil van dezen aard tot grondslag, kunnen wij begrijpen, hoe de snavels der beide seksen er door de natuurlijke teeltkeus toe kunnen zijn gekomen om zeer van elkander te verschillen. In al deze gevallen echter, vooral in dat van de twistzieke kolibri’s, is het mogelijk, dat de verschillen in snavels oorspronkelijk door de mannetjes zijn verkregen, in verband met hun gevechten, en later aanleiding gaven tot een eenigszins veranderde levenswijze.

Fig. 22.
Fig. 22.

Fig. 22.

De Kemphaan (Machetes pugnax); naar Brehm’s „Thierleben”.

De pauw met zijn langen staart schijnt meer een fat („dandy”) dan een krijgsman te zijn, maar somtijds levert hij woedende gevechten: de weleerw. heer W. Darwin Fox deelt mij mede, dat twee pauwen op een kleinen afstand van Chester zoo werden opgewekt door den strijd, dat zij steeds vechtende over de geheele stad vlogen, totdat zij zich op de spits van den St. Janstoren nederlieten.

Fig. 23.
Fig. 23.

Fig. 23.

Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm) om de dubbele sporen aan te toonen.

Fig. 24.
Fig. 24.

Fig. 24.

De Kamichi (Palamedea Cornuta) om de dubbele vleugelsporen en den horen op den kop aan te toonen (naar Brehm).

Fig. 25.
Fig. 25.

Fig. 25.

Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm.

Fig. 26.
Fig. 26.

Fig. 26.

De Regenschermvogel (Cephalopterus ornatus), mannetje, naar Brehm.

Fig. 27.
Fig. 27.

Fig. 27.

Buitenste staartveder van Scolopax gallinago, naar Proc. Zoolog. Soc., 1858.

Fig. 28. Buitenste staartveder van Scolopax frenata. Fig. 29. Buitenste staartveder van Scolopax Javensis.

Fig. 28.
Fig. 28.
Fig. 29.
Fig. 29.
Fig. 30 en 31.
Fig. 30 en 31.

Fig. 30 en 31.

Fig. 30. Primaire vleugel-slagpen van het mannetje van een Kolibri (Selasphorus platycercus), naar een schets van den heer Salvin.

Fig. 31. Overeenkomstige slagpen van het wijfje naar een schets van den heer Salvin.

Fig. 32. Fig. 33. Fig. 34.

Fig. 32.
Fig. 32.
Fig. 33.
Fig. 33.
Fig. 34.
Fig. 34.

Fig. 35. Fig. 36. Fig. 37.

Fig. 35.
Fig. 35.
Fig. 36.
Fig. 36.
Fig. 37.
Fig. 37.

Secundaire vleugel-slagpennen van Pipra deliciosa (naar den heer Sclater, in Proc. Zool. Soc., 1860). De drie bovenste slagpennen (fig. 32, 33, 34) van het mannetje; de drie onderste overeenkomstige slagpennen (fig. 35, 36, 37) van het wijfje. Fig. 32 en 35. Vijfde secundaire vleugel-slagpen van het mannetje en van het wijfje. Fig. 33 en 36 zesde secundaire slagpen, bovenvlak. Fig. 34 en 37 zevende secundaire slagpen, ondervlak.

Fig. 38.
Fig. 38.

Fig. 38.

Priëelvogel (Chlamydera maculata), met zijn priëel (naar Brehm).

Fig. 39.
Fig. 39.

Fig. 39.

Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm, om de vederbossen aan de ooren te toonen.

Fig. 39a.
Fig. 39a.

Fig. 39a.

Tetrao cupido, voor het wijfje pronkende (J. W. Wood).

Fig. 40.
Fig. 40.

Fig. 40.

Paradisea rubra, mannetje (naar Brehm).

Fig. 41.
Fig. 41.

Fig. 41.

Paradisea papuana, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).

De mannetjes der Kolibri’s (Fig. 42 en 43) wedijveren in schoonheid bijna met de Paradijsvogels, gelijk iedereen zal toegeven, die de prachtige werken van den heer Gould of zijn rijke verzameling heeft gezien. Het is zeer opmerkelijk, op hoevele verschillende wijzen deze vogels zijn versierd. Bijna elk deel van hun vederbos is daartoe gebruikt en gewijzigd; en de wijzigingen zijn, gelijk de heer Gould mij toonde, bij sommige soorten, tot bijna elke ondergroep behoorende, tot een verwonderlijk uiterste gedreven. Dergelijke gevallen gelijken merkwaardig veel op die welke wij bij onze tamme liefhebberijvogels zien, die door den mensch tot versiering zijn opgekweekt; sommige individu’s varieerden oorspronkelijk in het eene kenmerk, en andere tot de zelfde soort behoorende individu’s in een ander kenmerk; en deze zijn door den mensch aangegrepen en tot het uiterste vermeerderd,—gelijk bij voorbeeld de staart van de Pauwduif, de kuif van de Jacobijner-duif, de bek en vleeschlap van de Postduif en zoo verder. Het eenige verschil tusschen deze gevallen is, dat in het eene geval de uitslag het gevolg is van de teeltkeus van den mensch, terwijl zij in het andere, zooals bij de Kolibri’s, Paradijsvogels enz., het gevolg is van seksueele teeltkeus,—dat is van het door de wijfjes voor de voortteling uitkiezen van de fraaiste mannetjes.

Fig. 42.
Fig. 42.

Fig. 42.

Lophornis ornatus, mannetje en wijfje (naar Brehm).

Fig. 43.
Fig. 43.

Fig. 43.

Spathura Underwoodi, mannetje en wijfje (naar Brehm).

Wat de vogels aangaat, die jaarlijks een dubbele ruiing ondergaan, zoo zijn er, ten eerste, eenige soorten, bij voorbeeld snippen, zwaluw-plevieren (Glareola) en wulpen bij welke de beide seksen op elkander gelijken en in geen der jaargetijden van kleur veranderen. Ik weet niet, of het wintergevederte dikker en warmer is dan het zomergevederte, hetgeen, wanneer er geen kleurverandering plaats grijpt, de meest waarschijnlijke oorzaak van een dubbele ruiing schijnt te zijn. Ten tweede zijn er vogels, bij voorbeeld zekere soorten van Ruiters (Totanus) en andere Steltloopers (Grallatores), waarvan de seksen op elkander gelijken, maar een eenigszins verschillend zomer- en wintergevederte hebben. Het verschil in kleur is echter in deze gevallen zoo gering, dat het moeilijk een voordeel voor hen kan zijn, en mag dan wellicht worden toegeschreven aan de verschillende levensvoorwaarden waaraan de vogels gedurende de beide jaargetijden zijn blootgesteld. Ten derde zijn er vele andere vogels bij welke de seksen op elkander gelijken, doch die zeer verschillend zijn in hun zomer- en in hun wintergevederte. Ten vierde zijn er vogels bij welke de seksen van elkander in kleur verschillen, doch de wijfjes, hoewel tweemaal ruiende, het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, terwijl de mannetjes een kleurverandering, en soms, zooals met zekere trapganzen het geval is, een groote kleurverandering ondergaan. Ten vijfde en ten laatste zijn er vogels bij welke de seksen zoowel in zomer- als in wintergevederte van elkander verschillen, doch het mannetje bij elk terugkeerend jaargetijde een grootere verandering ondergaat dan het wijfje, waarvan de kemphaan (Machetes pugnax) een goed voorbeeld oplevert.

Uit de voorgaande feiten, meer bijzonder uit de omstandigheid, dat bij zekere vogels geen van beide seksen gedurende een der beide jaarlijksche ruiingen van kleur verandert, of zoo weinig verandert, dat de verandering hun moeilijk eenigermate van dienst kan zijn, en dat bij andere soorten de wijfjes, hoewel zij tweemaal ruien, toch het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, mogen wij besluiten, dat de gewoonte om tweemaal in het jaar te ruien, niet is verkregen, opdat het mannetje gedurende den paartijd er sierlijk uit zou zien, maar dat van de dubbele ruiing, oorspronkelijk met eenig ander doel verkregen, later in sommige gevallen partij is getrokken om een bruiloftskleed te verkrijgen.

Fig. 44.
Fig. 44.

Fig. 44.

Rupicola crocea, mannetje, naar Brehm.

Fig. 45.
Fig. 45.

Fig. 45.

Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm).

Fig. 46.
Fig. 46.

Fig. 46.

Mannelijke Polyplectron chinquis, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).

Het geval van den Argus-fazant is nog treffender. De verbazend ontwikkelde secundaire vleugel-slagpennen die tot het mannetje zijn beperkt, zijn met een rij van twintig tot drie-en-twintig oogvlekken (ocelli) versierd, waarvan elk meer dan twee en een halven centimeter in doorsnede heeft. De vederen zijn ook bevallig beteekend met dwarse donkere strepen en rijen van vlekken, gelijk aan die op de huid van een tijger en van een luipaard met elkander vereenigd. Deze fraaie versierselen zijn verborgen, totdat het mannetje daarmede voor het wijfje pronkt. Hij steekt dan zijn staart omhoog en breidt zijn vleugelvederen uit tot een grooten, bijna loodrechten, cirkelvormigen waaier of schild, die vóór het lichaam wordt gehouden. De hals en kop worden naar ééne zijde gehouden, zoodat zij door den waaier worden verborgen; maar om het wijfje waarvoor hij pronkt, te zien, steekt de vogel soms zijn kop tusschen twee lange vleugelslagpennen heên (gelijk de heer Bartlett heeft gezien) en ziet er dan potsierlijk uit. Dit moet bij den vogel in den natuurstaat veelvuldig de gewoonte zijn, want de heer Bartlett en zijn zoon vonden, eenige ongeschonden huiden, uit de Oost gezonden, onderzoekende, een plaats tusschen twee der slagpennen, die zeer was uitgerafeld, alsof de kop er dikwijls doorheen was gestoken. De heer Wood meent, dat het mannetje ook aan ééne zijde het wijfje kan begluren voorbij den rand van den waaier.

Fig. 47.
Fig. 47.

Fig. 47.

Mannelijke Argusfazant, voor het wijfje pronkende. Waargenomen en naar de natuur geschetst door den heer T. W. Wood.

De primaire vleugel-slagpennen die bij de meeste Hoenderachtige Vogels eenvormig zijn gekleurd, zijn bij den Argus-fazant niet minder wondervolle voorwerpen dan de secundaire vleugel-slagpennen. Zij zijn van een zachtbruine kleur met talrijke donkere vlekken waarvan elk uit twee of drie zwarte punten bestaat, die door een donkeren gordel worden omringd. Het voornaamste versiersel is echter een ruimte, evenwijdig aan de donkerblauwe schacht die in omtrek een volkomen tweede veder vormt, in de ware veder gelegen. Dit binnenste gedeelte is lichter kastanjebruin gekleurd, en dicht bezaaid met kleine witte punten. Ik heb zulk een veder aan onderscheidene personen vertoond en velen hebben haar nog meer bewonderd dan de bal-en-holte-vederen, en hebben verklaard, dat zij meer op een voortbrengsel van de kunst dan van de natuur geleek. Nu liggen deze vederen bij alle gewone gelegenheden volkomen verborgen, maar worden geheel tentoongespreid, tegelijk met de lange secundaire slagpennen, wanneer zij allen te zamen worden uitgespreid om den grooten waaier of schild te vormen.

Het geval van den Argus-fazant is in hooge mate belangwekkend, omdat het een goed bewijs levert, dat de meest verfijnde schoonheid kan dienen om het wijfje te bekoren en voor geen ander doel. Wij moeten besluiten, dat dit het geval is, daar de primaire vleugel-slagpennen nooit, en de slagpennen met bal-en-holte-versiersels niet in haar volle schoonheid worden vertoond, behalve wanneer het mannetje de houding van zijn vrijage aanneemt. De Argus-fazant bezit geen schitterende kleuren, zoodat zijn voorspoed in de liefde afhangt van de aanzienlijke grootte van zijn slagpennen en van het sierlijke patroon der daarop uitgevoerde teekeningen. Velen zullen verklaren, dat het geheel ongeloofelijk is, dat een vrouwelijke vogel in staat zou zijn om fraaie schakeeringen en uitstekende patronen naar waarde te schatten. Het is ongetwijfeld een verwonderlijk feit, dat zij deze bijna menschelijke mate van smaak zou bezitten, hoewel zij misschien meer het algemeene effect, dan elke afzonderlijke bijzonderheid bewondert. Hij die denkt, dat hij veilig de hoegrootheid van het onderscheidingsvermogen en den smaak van de lagere dieren kan nagaan, moge ontkennen, dat de vrouwelijke Argus-fazant een zoo verfijnde schoonheid naar waarde kan schatten; maar hij zal dan zijn gedwongen om aan te nemen, dat de buitengewone houdingen die het mannetje gedurende de vrijage aanneemt, waardoor de verwonderlijke schoonheid van zijn gevederte in het volle licht komt, doelloos zijn, en dit is een besluit waartoe ik, eens voor al, nimmer zal komen.

Hoewel zoo vele fazanten en verwante Hoenderachtige Vogels zorgvuldig hun schoon gevederte voor de wijfjes tentoonspreiden, is het opmerkelijk, dat dit, gelijk de heer Bartlett mij mededeelt, niet het geval is met den geoorden en met Wallich’s fazant (Crosoptilon auritum en Phasianus Wallichii), zoodat deze vogels bewust schijnen te zijn, dat zij slechts op weinig schoonheid kunnen bogen. De heer Bartlett heeft van geen van deze beide soorten van fazanten de mannetjes ooit zien vechten, hoewel hij niet zoo goed in de gelegenheid was om Wallich’s fazant, als om den geoorden fazant waar te nemen. Ook de heer Jenner Weir bevindt, dat alle mannelijke vogels die een rijk of sterk sprekend gevederte hebben, twistzieker zijn dan de dof gekleurde soorten die tot de zelfde groep behooren. De distelvink is bij voorbeeld veel strijdlustiger dan het kneutje, en de merel of zwarte lijster dan de gewone lijster. Die vogels welke op zekere vaste tijden van het jaar een verandering in hun gevederte ondergaan, worden eveneens veel strijdlustiger in het tijdperk waarin zij het fraaist zijn versierd. Ongetwijfeld vechten de mannetjes van sommige dof gekleurde vogels wanhopend met elkander; het schijnt echter, dat de seksueele teeltkeus, wanneer zij veel invloed heeft gehad en aan de mannetjes van de eene of andere soort levendige kleuren gegeven, ook zeer dikwijls een sterke neiging tot strijdlustigheid ten gevolge heeft gehad. Wij zullen bijna overeenkomstige gevallen ontmoeten, als wij de Zoogdieren behandelen. Daarentegen zijn bij de Vogels het vermogen om te zingen en schitterende kleuren slechts zelden beide tegelijk door de mannetjes van de zelfde soort verkregen; maar in dit geval zou het verkregen voordeel volkomen het zelfde zijn geweest, namelijk voorspoed in het bekoren van het wijfje. Desniettemin moet worden erkend, dat bij de mannetjes van verscheidene schitterend gekleurde vogels de vederen op bijzondere wijze zijn gewijzigd om daarmede instrumentale muziek voort te brengen, hoewel de schoonheid daarvan niet kan worden vergeleken, ten minste volgens onzen smaak, met die van de vocale muziek van vele zangvogels.

Wij zullen nu overgaan tot mannelijke vogels die volstrekt in geen hooge mate zijn versierd, maar desniettemin bij hun vrijage de weinige bekoorlijkheden die zij hebben, zooveel mogelijk tentoonspreiden. Deze gevallen zijn in sommige opzichten merkwaardiger dan de voorgaande en zijn slechts weinig opgeteekend. Ik kan de volgende feiten mededeelen, uitgezocht uit een groot aantal belangrijke aanteekeningen, mij door den heer Jenner Weir gezonden, die lang vogels van vele soorten, al de Britsche Vinken (Fringillidae) en Gorzen (Emberizidae) insluitende, bezat. De goudvink gaat, als hij zijn hof maakt, tegenover het wijfje staan en zet dan zijn borst op, zoodat veel meer van de karmozijnroode vederen worden gezien dan anders het geval zou zijn. Tegelijkertijd draait en buigt hij zijn zwarten staart op potsierlijke wijze van de eene zijde naar de andere. Het mannetje van den gewonen vink gaat ook tegenover het wijfje staan en vertoont zoo zijn roode borst en „blauwe klok” („blue bell”), zooals de (Engelsche) vogelvangers zijn kop noemen; tegelijkertijd spreidt hij zijn vleugels een weinig uit, zoodat de zuiver witte banden op de schouders in het gezicht vallen. Het gewone kneutje zet zijn rozenroode borst op, spreidt zijn bruine vleugels en staart uit, zoodat zij zich zoo voordeelig mogelijk voordoen, doordat hun witte randen in het gezicht komen. Wij moeten echter niet te overijld besluiten, dat de vleugels worden uitgespreid om te pronken, daar sommige vogels, wier vleugels niet fraai zijn, ook zoo handelen. Dit is het geval met den huishaan, maar het is altijd de vleugel aan de van het wijfje afgekeerde zijde, die wordt uitgespreid en tegelijkertijd over den grond geschuurd. Het mannetje van den distelvink gedraagt zich anders dan alle andere vinken; zijn vleugels zijn fraai, daar de schouders zwart en de donkergepunte vleugelvederen witgevlekt en met goudgeel omzoomd zijn. Als hij het wijfje het hof maakt, zwaait hij zijn lichaam van de eene zijde naar de andere en draait snel zijn een weinig uitgespreide vleugels eerst naar de eene en dan naar de andere zijde, hetgeen het effect van een goud-geflikker maakt. Geen andere Britsche vink draait zich, gelijk de heer Weir mij mededeelt, gedurende zijn vrijage op deze wijze van de eene zijde naar de andere, zelfs niet het nauw verwante mannelijke sijsje; want het zou daardoor zijn schoonheid niet verhoogen.

Er is nu een voldoend aantal feiten medegedeeld om aan te toonen, hoeveel zorg de mannelijke vogels aanwenden om met hun verschillende bekoorlijkheden te pronken, en zij doen dit met de uiterste bekwaamheid. Terwijl zij hun vederen gladstrijken, hebben zij veelvuldig de gelegenheid om zich zelf te bewonderen en te bestudeeren, hoe zij het best hun schoonheid zullen tentoonspreiden. Daar echter al de mannetjes van ééne en de zelfde soort op volkomen de zelfde wijze pronken, schijnt het, dat handelingen die oorspronkelijk wellicht met voordacht werden verricht, instinktmatig zijn geworden. Indien dit zoo is, behoeven wij de vogels niet van zelfbewuste ijdelheid te beschuldigen; doch als wij een pauw met zijn uitgespreide en sidderende staartvederen zien pronken, schijnt hij het ware zinnebeeld van trots en ijdelheid.

AANTEEKENINGEN.

Niet alleen zingen echter vele der Oscines, b.v. de door Darwin aangehaalde Kraaivogels en de Paradijsvogels nimmer, maar tot de Clamatores behooren zelfs onderscheidene geslachten (b.v. de Klokvogels, Chasmorhynchus), die een fraaie zangstem bezitten, hoewel de zangtoestel der Oscines hun ontbreekt. Daarenboven bezitten sommige Families der Clamatores ongetwijfeld een grootere natuurlijke verwantschap tot sommige Families der Oscines, dan tot die hunner eigen afdeeling (b.v. de Anabatidae en Eriodoridae tot de Certhiadae, de Cypselidae en Caprimulgidae tot de Hirundinidae enz.) en omgekeerd. De verdeeling van de Orde der Insessores in Zangvogels en Schreeuwvogels is dus geen natuurlijke.

Notes in this chapter

Note 1 · „Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414. ↑Note 2 · Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz. 383. ↑Note 3 · Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 29. ↑Note 4 · Gould, ibid., blz. 52. ↑Note 5 · W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz. 327. ↑Note 6 · Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96. ↑Note 7 · Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181. ↑Note 8 · (1) Darwin noemt Cairina moschata „the musk-duck”; ook de meest gewone Nederlandsche naam is muskuseend. Het is met deze drie namen als met Note 9 · Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII, 1843, blz. 31. ↑Note 10 · „Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en snippen, zie vol. III, blz. 381, 477. ↑Note 11 · Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol. II, blz. 383. ↑Note 12 · De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz. 137. ↑Note 13 · Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93. ↑Note 14 · Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574. ↑Note 15 · Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of SweNote 16 · Jerdon, „Birds of India”, omtrent Ithaginis, vol. III, blz. 523; omtrent Galloperdix, blz. 541. ↑Note 17 · Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”, vol. IV, blz. 639. Omtrent Plectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz. 254. Note 18 · Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8 Aug. 1868, blz. 46. Ten opzichte van Lobivanellus, zie Jerdon’s „Birds of INote 19 · Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz. 4–13. ↑Note 20 · De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212. ↑Note 21 · Richardson, over Tetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831, blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den gNote 22 · „Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275. ↑Note 23 · Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon, „Ornith. Biography” vol. II, blz. 492. ↑Note 24 · „Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14. ↑Note 25 · Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrent Tetrao cupido, vol. II blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219. ↑Note 26 · „Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601. ↑Note 27 · The Hon. Daines Barrington, „Philosoph. Transact.”, 1773, blz. 252. ↑Note 28 · „Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472. ↑Note 29 · „Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heer Harrison Weir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat de mannetjesNote 30 · „Philosophical Transactions”, 1773, blz. 263. White’s „Natural History of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246. ↑Note 31 · „Naturges. der Stubenvögel”, 1840, blz. 252. ↑Note 32 · De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559. ↑Note 33 · D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 4. ↑Note 34 · Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028. ↑Note 35 · L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25. ↑Note 36 · Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5. ↑Note 37 · Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde merels Note 38 · Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1496. ↑Note 39 · (2) Blasius en Keyzerling hebben, op grond van de onderzoekingen van Johannes Müller, de Orde der Insessores in twee afdeelingen verdeeld, nNote 40 · Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362. ↑Note 41 · (3) Het hier bedoelde orgaan is niet homoloog met het strottenhoofd (larynx) der Zoogdieren, en draagt dus oneigenlijk dien naam. Het eigenlNote 42 · Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz. 125.Note 43 · (4) Merops apiaster.Note 44 · Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 22. ↑Note 45 · „The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student” (April 1870Note 46 · Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359. Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507. ↑Note 47 · De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr. Cullen,Note 48 · Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284; Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met nog eNote 49 · Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1499. ↑Note 50 · De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. Note 51 · „Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845, blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist. of BNote 52 · C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 126. ↑Note 53 · L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 22, 81. ↑Note 54 · Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20. ↑Note 55 · Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over Boschhoenders, RichardsonNote 56 · Zie de belangwekkende verhandeling van den heer Meves in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1858, blz. 169. Omtrent de gewoonten van de snip, MacgillivraNote 57 · De heer Salvin in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 160. Ik ben aan deze uitmuntende vogelkenners veel dank verschuldigd wegens de toezendingNote 58 · Jerdon, „Birds of India”, vol. VI, blz. 118, 62. ↑Note 59 · Gould, „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 49. Salvin, „Proc. Zoolog Soc.”, 1867, blz. 160. ↑Note 60 · Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”, 1860, blz. 90, en in „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 175. Ook Salvin, in „Ibis”, 1860, blz. 37. ↑Note 61 · „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867, blz. 203. ↑Note 62 · Omtrent Tetrao phasianellus, zie Richardson, „Fauna Bor. America”, blz. 361, en voor verdere bijzonderheden Kapitein Blakiston, „Ibis”, 1863Note 63 · (5) Zie Deel I, blz. 143, aant. 14.Note 64 · Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, blz. 444, 449, 455. Het priëel van den Satijnvogel kan altijd worden gezien in de tuineNote 65 · Zie opmerkingen hieromtrent in het stuk over „the Feeling of Beauty among Animals”, door den heer J. Shaw, in het „Atheneum”, 24 Nov. 1866, Note 66 · De heer Monteiro, „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 339. ↑Note 67 · „Land and Water”, 1868, blz. 217. ↑Note 68 · „Ueber die Schädelhöcker”, enz, „Niederländ. Archiv. f. Zoologie”, Bd. I, Heft 2, 1872. ↑Note 69 · Jardine’s „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 166. ↑Note 70 · Sclater, in de „Ibis” vol. VI, 1864, blz. 114. Livingstone, „Expedition to the Zambesi”, 1866, blz. 66. ↑Note 71 · Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 620. ↑Note 72 · Wallace, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.” vol. XX, 1857, blz. 416; en in zijn „Malay Archipelago”, vol. II, 1862, blz. 390. ↑Note 73 · Zie mijn werk over „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 334. ↑Note 74 · (6) „Halo’s.” Men noemt zoo gelijkmiddelpuntige (concentrische), aan de binnenzijde rood, aan de buitenzijde wit of blauwachtig gekleurde ciNote 75 · Aangehaald naar den heer de Lafresnaye, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol XIII, 1854, blz. 157; zie ook de veel uitvoeriger beschrijviNote 76 · Wallace „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 405. ↑Note 77 · De heer Sclater, „Intellectual Observer”, Jan. 1867. „Waterton’s Wanderings”, blz. 118. Zie ook de belangwekkende verhandeling van den heer Note 78 · „Land and Water”, 1867, blz. 394. ↑Note 79 · De heer D. G. Elliot in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 589. ↑Note 80 · „Nitzsch’s Pterylography”, uitgegeven door P. L. Sclater. Roy. Soc., 1867, blz. 14. ↑Note 81 · Het bruin gevlekte zomergevederte van het sneeuwhoen is er als bescherming, van evenveel belang voor als het witte wintergevederte; want hetNote 82 · Zie, ten opzichte der bovengaande mededeelingen omtrent het ruien, omtrent snippen enz. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. IV, blz. 371Note 83 · Omtrent het ruien van het sneeuwhoen, zie Gould’s „Birds of Great-Britain.” Over de Honigvogels, Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 359,Note 84 · Omtrent de bovengaande mededeelingen ten opzichte van gedeeltelijke ruiingen en over het behouden van het bruiloftskleed door oude mannetjesNote 85 · Zie Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. V, blz. 34, 70 en 223, over het ruien der Eendachtige Vogels (Anatidae) met aanhalingen van WaNote 86 · Omtrent den pelikaan, zie Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 265. Omtrent de Amerikaansche vinken, zie Audubon, „Ornith. Biography”,Note 87 · Zie ook „Ornamental Poultry”, door den weleerw. heer E. S. Dixon, 1848, blz. 8. ↑Note 88 · „Birds of India”, Introduct., vol. I, blz. XXIV: omtrent den pauw, vol. III, blz. 507. Zie Gould’s „Introduction to the Trochilidae”, 1861, Note 89 · „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. X, 1840, blz. 236. ↑Note 90 · „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIII, 1854, blz. 157; ook Wallace, ibid., vol, XX, 1857, blz. 412, en „The Malay Archipelago”, vol. IINote 91 · De heer T. W. Wood heeft („The Student”, April 1870, blz. 115) een volledige verklaring van deze wijze van pronken gegeven, die hij de laterNote 92 · „The Reign of Law”, 1867, blz. 203. ↑Note 93 · Voor de beschrijving van deze vogels, zie Gould’s „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 417. ↑Note 94 · „Birds of India”, vol. II, blz. 96. ↑Note 95 · Omtrent den Cosmetornis, zie Livingstone’s „Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 66. Over den Argus-fazant, Jardine’s „Nat. Hist. Lib.: BiNote 96 · Tegetmeier, „The Poultry Book”, 1866, blz. 139. ↑Note 97 · De in veelwijverij levende kemphaan (Machetes Pugnax, Fig. 22) is bekend wegens zijn buitengewone strijdlustigheid; en in de lente komen de Note 98 · Ten minste volgens Brehm („Thierleben”, Deel IV, blz. 832); de muskusgeur dien de gieren in den paartijd verspreiden en die ook hun eieren dNote 99 · Zingen is tot op zekere hoogte, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, een kunst, en wordt door oefening veel verbeterd. Men kan vogelNote 100 · Het is opmerkelijk, dat alleen kleine vogels eigenlijk zingen. Het Australische geslacht Menura moet hiervan echter worden uitgezonderd; wanNote 101 · Het merkwaardigste geval wordt echter opgeleverd door drie verwante geslachten van Australische vogels, de vermaarde Priëelvogels—ongetwijfeNote 102 · Ten opzichte der kleur behoeft hier nauwelijks iets te worden gezegd; want iedereen weet, hoe prachtig de kleuren der vleugels zijn, en hoe Note 103 · Bij de vogels zijn de secundaire seksueele kenmerken meer verschillend en vallen meer in het oog, hoewel zij wellicht geen belangrijker veraNote 104 · Gevechten.—Bijna alle mannelijke vogels zijn uiterst strijdlustig en gebruiken hun snavels en pooten om met elkander te vechten. Wij zien diNote 105 · De mannetjes van vele vogels zijn grooter dan de wijfjes, en dit is ongetwijfeld een voordeel voor hen in hun gevechten met hun medeminnaarsNote 106 · De mannetjes van vele Hoenderachtige Vogels, vooral van de in veelwijverij levende soorten, zijn voorzien van bijzondere wapenen om met hun Note 107 · De mannetjes van bijna alle Hoenderachtige Vogels, zelfs die welke niet van sporen zijn voorzien, leveren elkander gedurende den paartijd woNote 108 · De Hoenderachtige Vogels die daarvan zijn voorzien, hebben over het algemeen slechts één spoor, maar Polyplectron (Fig. 23) heeft er twee ofNote 109 · Onderscheidene vogels hebben sporen aan de vleugels. De Egyptische gans (Chenalopex aegyptiacus) heeft echter slechts „naakte stompe knobbelNote 110 · Het jaargetijde der liefde is dat van den strijd; maar de mannetjes van sommige vogels, zooals de strijdhaan en de kemphaan, en zelfs de jonNote 111 · Zelfs bij de meest strijdlustige soorten is het waarschijnlijk, dat de paring niet uitsluitend van de enkele kracht en moed van het mannetjeNote 112 · Vocale en instrumentale muziek.—Bij de vogels dient de stem om verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken, zooals smart, vrees, angst,Note 113 · Er heerscht bij de natuuronderzoekers veel verschil van gevoelen omtrent het doel van den zang der vogels. Slechts weinige waarnemers hebbenNote 114 · Het is zeker, dat er tusschen de mannetjes ten opzichte van het zingen eene hooge mate van naijver bestaat. Liefhebbers van vogels gaan weddNote 115 · Dat vogels evengoed uit naijver zouden zingen als om het wijfje te bekoren, is niet geheel onvereenigbaar; en men kon inderdaad verwachten, Note 116 · Bij sommige vogels verschillen de stemorganen zeer bij de twee seksen. Bij het prairiehoen (Tetrao cupido, Fig. 25) heeft het mannetje twee Note 117 · Het schijnt thans met zekerheid te zijn uitgemaakt, dat de groote keelzak van het mannetje van de Europeesche groote trapgans (Otis tarda) eNote 118 · De stemorganen van onderscheidene Zwemvogels en Moerasvogels zijn buitengewoon samengesteld en verschillen tot op zekere hoogte bij beide seNote 119 · Het is dikwijls moeilijk te gissen, of de vele vreemde geluiden en tonen, door de mannelijke vogels gedurende den paartijd voortgebracht, diNote 120 · Wij hebben tot dusverre slechts van de stem gesproken, maar de mannetjes van onderscheidene vogels voeren gedurende hun vrijage iets uit, daNote 121 · In de voorgaande gevallen worden geluiden voortgebracht met behulp van deelen die toch bestaan en voor andere doeleinden noodzakelijk zijn; Note 122 · Bij het mannetje van Chamaepetes unicolor (een groote Hoenderachtige Vogel van Amerika) is de eerste primaire slagpen van den vleugel naar hNote 123 · Bij onderscheidene soorten van een ondergeslacht van Pipra of Manakin eindelijk zijn de secundaire vleugel-slagpennen bij de mannetjes op noNote 124 · De verscheidenheid van de geluiden, zoowel vocale als instrumentale, door de mannetjes van vele soorten gedurende den paartijd voortgebrachtNote 125 · Liefde-Vertooningen en Dansen.—Van de merkwaardige liefdegebaren van sommige vogels, vooral van de Hoenderachtigen (Gallinaceae) is reeds hiNote 126 · Versiering.—Ik zal eerst de gevallen bespreken, waarin de mannetjes hetzij uitsluitend of in veel hooger mate zijn versierd dan de wijfjes; Note 127 · Ook de kop draagt dikwijls vleezige of ook wel draadvormige aanhangsels en vaste uitwassen. Indien deze niet aan beide seksen gemeen zijn, zNote 128 · De mannetjes zijn dikwijls versierd met verlengde vederen die op bijna elk deel van het lichaam ontspringen. De vederen aan de keel en op deNote 129 · Het is een merkwaardig feit, dat de vederen van tot verschillende groepen behoorende vogels op bijna volkomen de zelfde bijzondere wijze zijNote 130 · Ik zal slechts éénen anderen vogel vermelden, merkwaardig door de uitermate groote tegenstelling (contrast) in kleur tusschen de seksen, namNote 131 · Het gekleurde gevederte en sommige andere versierselen van de mannetjes, als zij volwassen zijn, worden, hetzij levenslang behouden of perioNote 132 · Kleurveranderingen in het gevederte, die met het jaargetijde in betrekking staan, hangen ten eerste van een dubbele jaarlijksche ruiing, tenNote 133 · Wat de oorzaak of het doel aangaat van de verschillen in kleur tusschen het zomer- en wintergevederte, zoo kan dit wellicht in sommige gevalNote 134 · Het schijnt op het eerste gezicht een verwonderlijke omstandigheid, dat bij nauw verwante vogels sommige soorten geregeld tweemaal ’s jaars Note 135 · Het is algemeen bekend, dat het mannetje van de gewone eend (Anas boschas) na den paartijd zijn mannelijk gevederte gedurende een tijd van dNote 136 · Sommige mannelijke vogels worden, zooals boven is medegedeeld, in de lente levendiger gekleurd, niet door een voorjaarsruiing, maar hetzij dNote 137 · Het Pronken van Mannelijke Vogels met hun Gevederte.—De mannetjes pronken ijverig met hun versierselen van allerlei soort, hetzij zij hen beNote 138 · Het moet een heerlijk gezicht zijn, als men in de bosschen van Indië „plotseling twintig of dertig pauwen ontmoet, terwijl de mannetjes hun Note 139 · Gedurende zijn vrijage spreidt de goudlakensche fazant (Thaumalea picta) niet slechts zijn prachtigen halskraag uit en licht dien op, maar hNote 140 · De oogvlekken (ocelli) zijn zoo fraai geschakeerd, dat zij, gelijk de Hertog van Argyll opmerkt86, den indruk maken van een naar buiten uitsNote 141 · De meeste Britsche Gorzen zijn effen gekleurde vogels, doch in de lente krijgen de kopvederen van den mannelijken rietgors (Emberiza schoeniNote 142 · De verschillende versierselen die door de mannetjes worden bezeten, zijn zeker voor hen van het hoogste belang, want zij zijn in sommige gevNote 143 · Het is een nog opmerkenswaardiger feit, dat de mannetjes van sommige vogels, die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, en d
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings