SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Seksueele verschillen.—Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen.—Stemorganen.—Instrumentale muziek.—Liefdespel en dansen.—Versierselen, blijvende en tijdelijke.—Dubbele en enkelvoudige jaarlijksche ruitijd.—Het pronken der mannetjes met hun versierselen.
Voor ik de kenmerken behandel, waarmede wij hier meer in het bijzonder hebben te maken, wil ik eerst wijzen op zekere verschillen tusschen de seksen, die blijkbaar afhangen van verschillen in haar levenswijze; want dergelijke gevallen, hoewel in de lagere klassen algemeen, zijn in de hoogere zeldzaam. Twee kolibri’s, tot het geslacht Eustephanus behoorende, die het eiland Juan Fernandez bewonen, werden lang voor verschillende soorten gehouden, doch men weet nu, gelijk de heer Gould mij meldt, dat het de seksen van de zelfde soort zijn, en zij verschillen eenigszins in den vorm van den snavel. In een ander geslacht van kolibri’s (Grypus) is de snavel van het mannetje langs den rand gezaagd en aan het uiteinde gebogen, en verschilt dus veel van dien van het wijfje. Bij de merkwaardige Neomorpha van Nieuw-Zeeland is er een nog grooter verschil in den vorm van den snavel; en men heeft den heer Gould medegedeeld, dat het mannetje met zijn „rechten en sterken snavel” den bast van de boomen afscheurt, opdat het wijfje zich met haar zwakkeren en meer gekromden snavel zou kunnen voeden met de blootkomende larven. Iets van den zelfden aard zou men wellicht kunnen waarnemen bij den distelvink (Carduelis elegans), want de heer Jenner Weir heeft mij verzekerd, dat de vogelvangers de mannetjes aan hun een weinig langere snavels kunnen onderscheiden. Men vindt de mannetjes gewoonlijk, volgens de getuigenissen van een ouden en geloofwaardigen vogelvanger, zich met zaden van den kaardebol (Dipsacus) voedende, die zij met hun verlengden snavel kunnen bereiken, terwijl de wijfjes zich meer algemeen voeden met de zaden van het helmkruid (Scrophularia). Met een gering verschil van dezen aard tot grondslag, kunnen wij begrijpen, hoe de snavels der beide seksen er door de natuurlijke teeltkeus toe kunnen zijn gekomen om zeer van elkander te verschillen. In al deze gevallen echter, vooral in dat van de twistzieke kolibri’s, is het mogelijk, dat de verschillen in snavels oorspronkelijk door de mannetjes zijn verkregen, in verband met hun gevechten, en later aanleiding gaven tot een eenigszins veranderde levenswijze.

Fig. 22.
De Kemphaan (Machetes pugnax); naar Brehm’s „Thierleben”.
De pauw met zijn langen staart schijnt meer een fat („dandy”) dan een krijgsman te zijn, maar somtijds levert hij woedende gevechten: de weleerw. heer W. Darwin Fox deelt mij mede, dat twee pauwen op een kleinen afstand van Chester zoo werden opgewekt door den strijd, dat zij steeds vechtende over de geheele stad vlogen, totdat zij zich op de spits van den St. Janstoren nederlieten.

Fig. 23.
Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm) om de dubbele sporen aan te toonen.

Fig. 24.
De Kamichi (Palamedea Cornuta) om de dubbele vleugelsporen en den horen op den kop aan te toonen (naar Brehm).

Fig. 25.
Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm.

Fig. 26.
De Regenschermvogel (Cephalopterus ornatus), mannetje, naar Brehm.

Fig. 27.
Buitenste staartveder van Scolopax gallinago, naar Proc. Zoolog. Soc., 1858.
Fig. 28. Buitenste staartveder van Scolopax frenata. Fig. 29. Buitenste staartveder van Scolopax Javensis.



Fig. 30 en 31.
Fig. 30. Primaire vleugel-slagpen van het mannetje van een Kolibri (Selasphorus platycercus), naar een schets van den heer Salvin.
Fig. 31. Overeenkomstige slagpen van het wijfje naar een schets van den heer Salvin.
Fig. 32. Fig. 33. Fig. 34.



Fig. 35. Fig. 36. Fig. 37.



Secundaire vleugel-slagpennen van Pipra deliciosa (naar den heer Sclater, in Proc. Zool. Soc., 1860). De drie bovenste slagpennen (fig. 32, 33, 34) van het mannetje; de drie onderste overeenkomstige slagpennen (fig. 35, 36, 37) van het wijfje. Fig. 32 en 35. Vijfde secundaire vleugel-slagpen van het mannetje en van het wijfje. Fig. 33 en 36 zesde secundaire slagpen, bovenvlak. Fig. 34 en 37 zevende secundaire slagpen, ondervlak.

Fig. 38.
Priëelvogel (Chlamydera maculata), met zijn priëel (naar Brehm).

Fig. 39.
Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm, om de vederbossen aan de ooren te toonen.

Fig. 39a.
Tetrao cupido, voor het wijfje pronkende (J. W. Wood).

Fig. 40.
Paradisea rubra, mannetje (naar Brehm).

Fig. 41.
Paradisea papuana, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).
De mannetjes der Kolibri’s (Fig. 42 en 43) wedijveren in schoonheid bijna met de Paradijsvogels, gelijk iedereen zal toegeven, die de prachtige werken van den heer Gould of zijn rijke verzameling heeft gezien. Het is zeer opmerkelijk, op hoevele verschillende wijzen deze vogels zijn versierd. Bijna elk deel van hun vederbos is daartoe gebruikt en gewijzigd; en de wijzigingen zijn, gelijk de heer Gould mij toonde, bij sommige soorten, tot bijna elke ondergroep behoorende, tot een verwonderlijk uiterste gedreven. Dergelijke gevallen gelijken merkwaardig veel op die welke wij bij onze tamme liefhebberijvogels zien, die door den mensch tot versiering zijn opgekweekt; sommige individu’s varieerden oorspronkelijk in het eene kenmerk, en andere tot de zelfde soort behoorende individu’s in een ander kenmerk; en deze zijn door den mensch aangegrepen en tot het uiterste vermeerderd,—gelijk bij voorbeeld de staart van de Pauwduif, de kuif van de Jacobijner-duif, de bek en vleeschlap van de Postduif en zoo verder. Het eenige verschil tusschen deze gevallen is, dat in het eene geval de uitslag het gevolg is van de teeltkeus van den mensch, terwijl zij in het andere, zooals bij de Kolibri’s, Paradijsvogels enz., het gevolg is van seksueele teeltkeus,—dat is van het door de wijfjes voor de voortteling uitkiezen van de fraaiste mannetjes.

Fig. 42.
Lophornis ornatus, mannetje en wijfje (naar Brehm).

Fig. 43.
Spathura Underwoodi, mannetje en wijfje (naar Brehm).
Wat de vogels aangaat, die jaarlijks een dubbele ruiing ondergaan, zoo zijn er, ten eerste, eenige soorten, bij voorbeeld snippen, zwaluw-plevieren (Glareola) en wulpen bij welke de beide seksen op elkander gelijken en in geen der jaargetijden van kleur veranderen. Ik weet niet, of het wintergevederte dikker en warmer is dan het zomergevederte, hetgeen, wanneer er geen kleurverandering plaats grijpt, de meest waarschijnlijke oorzaak van een dubbele ruiing schijnt te zijn. Ten tweede zijn er vogels, bij voorbeeld zekere soorten van Ruiters (Totanus) en andere Steltloopers (Grallatores), waarvan de seksen op elkander gelijken, maar een eenigszins verschillend zomer- en wintergevederte hebben. Het verschil in kleur is echter in deze gevallen zoo gering, dat het moeilijk een voordeel voor hen kan zijn, en mag dan wellicht worden toegeschreven aan de verschillende levensvoorwaarden waaraan de vogels gedurende de beide jaargetijden zijn blootgesteld. Ten derde zijn er vele andere vogels bij welke de seksen op elkander gelijken, doch die zeer verschillend zijn in hun zomer- en in hun wintergevederte. Ten vierde zijn er vogels bij welke de seksen van elkander in kleur verschillen, doch de wijfjes, hoewel tweemaal ruiende, het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, terwijl de mannetjes een kleurverandering, en soms, zooals met zekere trapganzen het geval is, een groote kleurverandering ondergaan. Ten vijfde en ten laatste zijn er vogels bij welke de seksen zoowel in zomer- als in wintergevederte van elkander verschillen, doch het mannetje bij elk terugkeerend jaargetijde een grootere verandering ondergaat dan het wijfje, waarvan de kemphaan (Machetes pugnax) een goed voorbeeld oplevert.
Uit de voorgaande feiten, meer bijzonder uit de omstandigheid, dat bij zekere vogels geen van beide seksen gedurende een der beide jaarlijksche ruiingen van kleur verandert, of zoo weinig verandert, dat de verandering hun moeilijk eenigermate van dienst kan zijn, en dat bij andere soorten de wijfjes, hoewel zij tweemaal ruien, toch het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, mogen wij besluiten, dat de gewoonte om tweemaal in het jaar te ruien, niet is verkregen, opdat het mannetje gedurende den paartijd er sierlijk uit zou zien, maar dat van de dubbele ruiing, oorspronkelijk met eenig ander doel verkregen, later in sommige gevallen partij is getrokken om een bruiloftskleed te verkrijgen.

Fig. 44.
Rupicola crocea, mannetje, naar Brehm.

Fig. 45.
Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm).

Fig. 46.
Mannelijke Polyplectron chinquis, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).
Het geval van den Argus-fazant is nog treffender. De verbazend ontwikkelde secundaire vleugel-slagpennen die tot het mannetje zijn beperkt, zijn met een rij van twintig tot drie-en-twintig oogvlekken (ocelli) versierd, waarvan elk meer dan twee en een halven centimeter in doorsnede heeft. De vederen zijn ook bevallig beteekend met dwarse donkere strepen en rijen van vlekken, gelijk aan die op de huid van een tijger en van een luipaard met elkander vereenigd. Deze fraaie versierselen zijn verborgen, totdat het mannetje daarmede voor het wijfje pronkt. Hij steekt dan zijn staart omhoog en breidt zijn vleugelvederen uit tot een grooten, bijna loodrechten, cirkelvormigen waaier of schild, die vóór het lichaam wordt gehouden. De hals en kop worden naar ééne zijde gehouden, zoodat zij door den waaier worden verborgen; maar om het wijfje waarvoor hij pronkt, te zien, steekt de vogel soms zijn kop tusschen twee lange vleugelslagpennen heên (gelijk de heer Bartlett heeft gezien) en ziet er dan potsierlijk uit. Dit moet bij den vogel in den natuurstaat veelvuldig de gewoonte zijn, want de heer Bartlett en zijn zoon vonden, eenige ongeschonden huiden, uit de Oost gezonden, onderzoekende, een plaats tusschen twee der slagpennen, die zeer was uitgerafeld, alsof de kop er dikwijls doorheen was gestoken. De heer Wood meent, dat het mannetje ook aan ééne zijde het wijfje kan begluren voorbij den rand van den waaier.

Fig. 47.
Mannelijke Argusfazant, voor het wijfje pronkende. Waargenomen en naar de natuur geschetst door den heer T. W. Wood.
De primaire vleugel-slagpennen die bij de meeste Hoenderachtige Vogels eenvormig zijn gekleurd, zijn bij den Argus-fazant niet minder wondervolle voorwerpen dan de secundaire vleugel-slagpennen. Zij zijn van een zachtbruine kleur met talrijke donkere vlekken waarvan elk uit twee of drie zwarte punten bestaat, die door een donkeren gordel worden omringd. Het voornaamste versiersel is echter een ruimte, evenwijdig aan de donkerblauwe schacht die in omtrek een volkomen tweede veder vormt, in de ware veder gelegen. Dit binnenste gedeelte is lichter kastanjebruin gekleurd, en dicht bezaaid met kleine witte punten. Ik heb zulk een veder aan onderscheidene personen vertoond en velen hebben haar nog meer bewonderd dan de bal-en-holte-vederen, en hebben verklaard, dat zij meer op een voortbrengsel van de kunst dan van de natuur geleek. Nu liggen deze vederen bij alle gewone gelegenheden volkomen verborgen, maar worden geheel tentoongespreid, tegelijk met de lange secundaire slagpennen, wanneer zij allen te zamen worden uitgespreid om den grooten waaier of schild te vormen.
Het geval van den Argus-fazant is in hooge mate belangwekkend, omdat het een goed bewijs levert, dat de meest verfijnde schoonheid kan dienen om het wijfje te bekoren en voor geen ander doel. Wij moeten besluiten, dat dit het geval is, daar de primaire vleugel-slagpennen nooit, en de slagpennen met bal-en-holte-versiersels niet in haar volle schoonheid worden vertoond, behalve wanneer het mannetje de houding van zijn vrijage aanneemt. De Argus-fazant bezit geen schitterende kleuren, zoodat zijn voorspoed in de liefde afhangt van de aanzienlijke grootte van zijn slagpennen en van het sierlijke patroon der daarop uitgevoerde teekeningen. Velen zullen verklaren, dat het geheel ongeloofelijk is, dat een vrouwelijke vogel in staat zou zijn om fraaie schakeeringen en uitstekende patronen naar waarde te schatten. Het is ongetwijfeld een verwonderlijk feit, dat zij deze bijna menschelijke mate van smaak zou bezitten, hoewel zij misschien meer het algemeene effect, dan elke afzonderlijke bijzonderheid bewondert. Hij die denkt, dat hij veilig de hoegrootheid van het onderscheidingsvermogen en den smaak van de lagere dieren kan nagaan, moge ontkennen, dat de vrouwelijke Argus-fazant een zoo verfijnde schoonheid naar waarde kan schatten; maar hij zal dan zijn gedwongen om aan te nemen, dat de buitengewone houdingen die het mannetje gedurende de vrijage aanneemt, waardoor de verwonderlijke schoonheid van zijn gevederte in het volle licht komt, doelloos zijn, en dit is een besluit waartoe ik, eens voor al, nimmer zal komen.
Hoewel zoo vele fazanten en verwante Hoenderachtige Vogels zorgvuldig hun schoon gevederte voor de wijfjes tentoonspreiden, is het opmerkelijk, dat dit, gelijk de heer Bartlett mij mededeelt, niet het geval is met den geoorden en met Wallich’s fazant (Crosoptilon auritum en Phasianus Wallichii), zoodat deze vogels bewust schijnen te zijn, dat zij slechts op weinig schoonheid kunnen bogen. De heer Bartlett heeft van geen van deze beide soorten van fazanten de mannetjes ooit zien vechten, hoewel hij niet zoo goed in de gelegenheid was om Wallich’s fazant, als om den geoorden fazant waar te nemen. Ook de heer Jenner Weir bevindt, dat alle mannelijke vogels die een rijk of sterk sprekend gevederte hebben, twistzieker zijn dan de dof gekleurde soorten die tot de zelfde groep behooren. De distelvink is bij voorbeeld veel strijdlustiger dan het kneutje, en de merel of zwarte lijster dan de gewone lijster. Die vogels welke op zekere vaste tijden van het jaar een verandering in hun gevederte ondergaan, worden eveneens veel strijdlustiger in het tijdperk waarin zij het fraaist zijn versierd. Ongetwijfeld vechten de mannetjes van sommige dof gekleurde vogels wanhopend met elkander; het schijnt echter, dat de seksueele teeltkeus, wanneer zij veel invloed heeft gehad en aan de mannetjes van de eene of andere soort levendige kleuren gegeven, ook zeer dikwijls een sterke neiging tot strijdlustigheid ten gevolge heeft gehad. Wij zullen bijna overeenkomstige gevallen ontmoeten, als wij de Zoogdieren behandelen. Daarentegen zijn bij de Vogels het vermogen om te zingen en schitterende kleuren slechts zelden beide tegelijk door de mannetjes van de zelfde soort verkregen; maar in dit geval zou het verkregen voordeel volkomen het zelfde zijn geweest, namelijk voorspoed in het bekoren van het wijfje. Desniettemin moet worden erkend, dat bij de mannetjes van verscheidene schitterend gekleurde vogels de vederen op bijzondere wijze zijn gewijzigd om daarmede instrumentale muziek voort te brengen, hoewel de schoonheid daarvan niet kan worden vergeleken, ten minste volgens onzen smaak, met die van de vocale muziek van vele zangvogels.
Wij zullen nu overgaan tot mannelijke vogels die volstrekt in geen hooge mate zijn versierd, maar desniettemin bij hun vrijage de weinige bekoorlijkheden die zij hebben, zooveel mogelijk tentoonspreiden. Deze gevallen zijn in sommige opzichten merkwaardiger dan de voorgaande en zijn slechts weinig opgeteekend. Ik kan de volgende feiten mededeelen, uitgezocht uit een groot aantal belangrijke aanteekeningen, mij door den heer Jenner Weir gezonden, die lang vogels van vele soorten, al de Britsche Vinken (Fringillidae) en Gorzen (Emberizidae) insluitende, bezat. De goudvink gaat, als hij zijn hof maakt, tegenover het wijfje staan en zet dan zijn borst op, zoodat veel meer van de karmozijnroode vederen worden gezien dan anders het geval zou zijn. Tegelijkertijd draait en buigt hij zijn zwarten staart op potsierlijke wijze van de eene zijde naar de andere. Het mannetje van den gewonen vink gaat ook tegenover het wijfje staan en vertoont zoo zijn roode borst en „blauwe klok” („blue bell”), zooals de (Engelsche) vogelvangers zijn kop noemen; tegelijkertijd spreidt hij zijn vleugels een weinig uit, zoodat de zuiver witte banden op de schouders in het gezicht vallen. Het gewone kneutje zet zijn rozenroode borst op, spreidt zijn bruine vleugels en staart uit, zoodat zij zich zoo voordeelig mogelijk voordoen, doordat hun witte randen in het gezicht komen. Wij moeten echter niet te overijld besluiten, dat de vleugels worden uitgespreid om te pronken, daar sommige vogels, wier vleugels niet fraai zijn, ook zoo handelen. Dit is het geval met den huishaan, maar het is altijd de vleugel aan de van het wijfje afgekeerde zijde, die wordt uitgespreid en tegelijkertijd over den grond geschuurd. Het mannetje van den distelvink gedraagt zich anders dan alle andere vinken; zijn vleugels zijn fraai, daar de schouders zwart en de donkergepunte vleugelvederen witgevlekt en met goudgeel omzoomd zijn. Als hij het wijfje het hof maakt, zwaait hij zijn lichaam van de eene zijde naar de andere en draait snel zijn een weinig uitgespreide vleugels eerst naar de eene en dan naar de andere zijde, hetgeen het effect van een goud-geflikker maakt. Geen andere Britsche vink draait zich, gelijk de heer Weir mij mededeelt, gedurende zijn vrijage op deze wijze van de eene zijde naar de andere, zelfs niet het nauw verwante mannelijke sijsje; want het zou daardoor zijn schoonheid niet verhoogen.
Er is nu een voldoend aantal feiten medegedeeld om aan te toonen, hoeveel zorg de mannelijke vogels aanwenden om met hun verschillende bekoorlijkheden te pronken, en zij doen dit met de uiterste bekwaamheid. Terwijl zij hun vederen gladstrijken, hebben zij veelvuldig de gelegenheid om zich zelf te bewonderen en te bestudeeren, hoe zij het best hun schoonheid zullen tentoonspreiden. Daar echter al de mannetjes van ééne en de zelfde soort op volkomen de zelfde wijze pronken, schijnt het, dat handelingen die oorspronkelijk wellicht met voordacht werden verricht, instinktmatig zijn geworden. Indien dit zoo is, behoeven wij de vogels niet van zelfbewuste ijdelheid te beschuldigen; doch als wij een pauw met zijn uitgespreide en sidderende staartvederen zien pronken, schijnt hij het ware zinnebeeld van trots en ijdelheid.
AANTEEKENINGEN.
Niet alleen zingen echter vele der Oscines, b.v. de door Darwin aangehaalde Kraaivogels en de Paradijsvogels nimmer, maar tot de Clamatores behooren zelfs onderscheidene geslachten (b.v. de Klokvogels, Chasmorhynchus), die een fraaie zangstem bezitten, hoewel de zangtoestel der Oscines hun ontbreekt. Daarenboven bezitten sommige Families der Clamatores ongetwijfeld een grootere natuurlijke verwantschap tot sommige Families der Oscines, dan tot die hunner eigen afdeeling (b.v. de Anabatidae en Eriodoridae tot de Certhiadae, de Cypselidae en Caprimulgidae tot de Hirundinidae enz.) en omgekeerd. De verdeeling van de Orde der Insessores in Zangvogels en Schreeuwvogels is dus geen natuurlijke.