SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen, tot hen alleen beperkt.—Oorzaak van het ontbreken der wapenen bij het wijfje.—Wapenen aan beide seksen gemeen, toch oorspronkelijk eerst door het mannetje verkregen.—Andere gebruiken van dergelijke wapenen.—Hun hooge belangrijkheid.—Meerdere grootte van het mannetje.—Verdedigingsmiddelen.—Over de voorkeur, door elk der beide seksen betoond bij de paring van viervoetige dieren.
Als de mannetjes van wapens zijn voorzien, die de wijfjes niet bezitten, kan het nauwelijks worden betwijfeld, dat zij worden gebruikt om met andere mannetjes te vechten, en dat zij door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Het is niet waarschijnlijk, ten minste in de meeste gevallen, dat de wijfjes dergelijke wapenen niet hebben verkregen, omdat zij nutteloos en overtollig, of op de eene of andere wijze nadeelig waren. Daar zij dikwijls door de mannetjes van vele dieren voor verschillende doeleinden, meer in het bijzonder als verdedigingsmiddel tegen hun vijanden worden gebruikt, is het integendeel een verwonderingwekkend feit, dat zij bij de wijfjes zoo armelijk zijn ontwikkeld of geheel ontbreken. Ongetwijfeld zou bij de hinde de ontwikkeling gedurende elk opeenvolgend jaar van groote vertakte horens, en bij vrouwelijke olifanten de ontwikkeling van verbazend groote slagtanden, een groote verspilling van levenskracht zijn geweest, als men aanneemt, dat zij van geen nut voor de wijfjes waren. Bij gevolg zouden afwijkingen in de grootte dezer organen, die tot hun geheel verdwijnen leidden, onder de heerschappij der natuurlijke teeltkeus zijn gekomen, en, indien zij in hun overplanting tot de vrouwelijke nakomelingschap waren beperkt, hun ontwikkeling door seksueele teeltkeus bij de mannetjes niet hebben verhinderd. Hoe kunnen wij echter volgens deze beschouwingswijze de aanwezigheid van horens bij de wijfjes van sommige antilopen en van slagtanden bij de wijfjes van vele dieren die slechts weinig voor die der mannetjes in grootte onderdoen, verklaren? De verklaring moet, geloof ik, in bijna alle gevallen in de wetten der erfelijkheid worden gezocht.

Fig. 60.
Oryx leucoryx, mannetje (naar de Knowsley menagerie).
Hoewel de horens van herten werkzame wapenen zijn, kan het, geloof ik, niet worden betwijfeld, dat één enkele punt veel gevaarlijker zou zijn geweest dan een vertakt gewei, en Judge Caton die een groote ondervinding omtrent herten heeft, is het hierin geheel met mij eens. Ook schijnen de vertakte horens, hoewel hoogst belangrijk als verdedigingsmiddel tegen mededingende herten, voor dit doel niet volkomen geschikt te zijn, daar zij vatbaar zijn om in elkander verward te geraken. Het vermoeden is mij daarom in de gedachte gekomen, dat zij wellicht gedeeltelijk tot versiering dienden. Dat de vertakte horens van herten zoowel als de schoone liervormige horens van sommige antilopen, met hun bevallige dubbele bocht (Fig. 61) in onze oogen tot sieraad strekken, zal niemand betwisten. Indien dus de horens, gelijk de prachtige uitrusting der ridders van weleer, bijdragen tot het edel uiterlijk van herten en antilopen, kunnen zij gedeeltelijk voor dit doel, hoewel voornamelijk voor werkelijken dienst in den strijd, zijn gewijzigd; maar ik heb geen bewijzen voor deze meening.

Fig. 61.
Strepsiceros Kuda (naar Andrew Smith’s „Zoology of South Africa”).
Een criticus heeft tegen deze verklaring de scherpzinnige tegenwerping gemaakt, waarom, indien de eenvoudige horens nu zoo voordeelig zijn, het vertakte gewei van den stamvorm ooit tot ontwikkeling is gekomen? Hierop antwoord ik, dat een nieuwe wijze van aanval en nieuwe wapens een groot voordeel kunnen zijn, gelijk wordt aangetoond door het geval van de Ovis cycloceros die een gewonen ram die vermaard was om zijn kracht in het gevecht, aldus overwon. Hoewel het vertakte gewei van een hert goed geschikt is om met zijn medeminnaars te vechten, en ofschoon het wellicht voordeelig zou zijn voor de spitshoornige verscheidenheid (variëteit) om langzamerhand lange en vertakte horens te verkrijgen, indien zij alleen met anderen van de zelfde soort had te vechten, volgt hieruit toch in geenen deele, dat vertakte horens het beste middel zouden zijn om een anders gewapenden vijand te overwinnen. In het voorgaande geval van Oryx leucoryx is het bijna zeker, dat de overwinning zou worden behaald door een antilope die korte horens bezat en dus niet noodig had neêr te knielen, hoewel het voor een Oryx voordeelig zou kunnen zijn om nog langer horens te bezitten, als hij alleen met mededingers van zijn eigen soort vocht.

Fig. 62.
Kop van het mannetje van het gewone wilde zwijn, in den bloeitijd van het leven (naar Brehm).

Fig. 63.
Schedel van een hertzwijn (naar Wallace’s „Malay Archipelago”).

Fig. 64.
Kop van een Afrikaansch breedsnuitig varken, naar „Proc. Zool. Soc.”, 1869. (Ik bemerk nu, dat deze teekening den kop van een wijfje voorstelt, doch zij dient om op verkleinde schaal de kenmerken van het mannetje te toonen.)
Eindelijk bezit het Afrikaansche penseelzwijn (Potamochoerus penicillatus) een harden kraakbeenigen knobbel aan elke zijde van het gelaat beneden de oogen, die aan het veerkrachtig kussen van het breedsnuitig varken beantwoordt. Het bezit ook twee beenige uitsteeksels aan de bovenkaak boven de neusgaten. Een mannetje van deze soort in den Londenschen dierentuin brak onlangs in het hok van een breedsnuitig varken in. Zij vochten den geheelen nacht door en werden ’s morgens zeer uitgeput, maar niet ernstig gewond, gevonden. Het is een beteekenisvol feit, dat het doel van de boven beschreven uitsteeksels en uitwassen aantoont, dat deze met bloed waren bedekt en op buitengewone wijze gekerfd en afgeschaafd.
Het scheen mij waarschijnlijk, dat de verbazend groote wollige manen van het mannetje van den Amerikaanschen bison, die bijna tot den grond toe reiken en veel meer zijn ontwikkeld bij de mannetjes dan bij de wijfjes, hun tot bescherming dienden bij hun vreeselijke gevechten; maar een ondervindingrijk jager verhaalde Judge Caton, dat hij nooit eenig feit had waargenomen, dat ten gunste dezer meening sprak. De hengst heeft dikker en voller manen dan de merrie, en ik heb bijzondere nasporingen gedaan bij twee groote africhters en fokkers, aan wier zorgen vele hengsten waren toevertrouwd, en zij verzekerden mij, dat de hengsten, „zonder uitzondering, elkander bij den hals trachten te pakken.” Uit de voorgaande opgaven volgt echter geenszins, dat, wanneer het haar aan den hals tot verdedigingsmiddel dient, het zich oorspronkelijk tot dit doel ontwikkelde, hoewel dit in sommige gevallen, gelijk in dat van den leeuw, waarschijnlijk is. De heer McNeill heeft mij medegedeeld, dat de lange haren aan de keel van het edelhert (Cervus elaphus) het zeer tot bescherming dienen, als het wordt gejaagd; want de honden trachten het over het algemeen bij de keel te grijpen; doch het is niet waarschijnlijk, dat deze haren zich bijzonder tot dat doel hebben ontwikkeld; want in dat geval kunnen wij ons verzekerd houden, dat ook de jongen en het wijfje op de zelfde wijze zouden zijn beschermd.
De heer Cupples meldt mij, dat hij persoonlijk kan instaan voor de nauwkeurigheid van het volgende, nog merkwaardiger geval waarin een kostbare en verwonderlijk verstandige vrouwelijke „terrier” een water-jachthond („retriever”) die aan een buurman toebehoorde, zoozeer beminde, dat zij dikwijls van hem moest worden weggesleept. Nadat zij voor goed waren gescheiden, wilde zij, ofschoon zich herhaaldelijk melk in haar tepels vertoonde, nooit meer iets weten van de vrijage van andere honden, en bracht tot spijt van haar eigenaar nooit jongen ter wereld. De heer Cupples getuigt ook, dat een vrouwelijke hertenhond die zich op dit oogenblik (1868) in zijn bezit bevindt, driemaal jongen ter wereld heeft gebracht, en bij elke gelegenheid een merkbare voorkeur aan den dag legde voor een van de grootste en schoonste, maar niet den vurigsten, van vier mannelijke hertenhonden, allen in de kracht van het leven, die met haar leefden. De heer Cupples heeft opgemerkt, dat een teef over het algemeen een reu begunstigt, waarmede zij in gezelschap is geweest en dien zij kent; haar schuwheid en beschroomdheid nemen haar eerst tegen een vreemden reu in. De reu daarentegen schijnt eerder genegenheid te gevoelen voor vreemde teven. Het schijnt zelden te gebeuren, dat de reu eene of andere bijzondere teef afwijst; doch de heer Wright van Yeldersley House, een groot hondenfokker, meldt mij, dat eenige voorbeelden daarvan te zijner kennis zijn gekomen; hij haalt het geval aan van een van zijn eigen hertenhonden, die volstrekt geen acht wilde geven op een bepaalden vrouwelijken dog („mastiff”), zoodat een andere hertenhond moest worden gebruikt. Het zou overtollig zijn nog meer voorbeelden te geven, en ik wil alleen hierbij voegen, dat de heer Barr die met zorg vele bloedhonden heeft aangefokt, getuigt, dat zij bijna altijd een bijzondere voorkeur geven aan bepaalde individu’s van de andere sekse. Eindelijk schreef mij onlangs de heer Cupples, na nogmaals een jaar lang zijn opmerkzaamheid aan de zaak te hebben gewijd: „Ik heb mijn vorig bericht volkomen bevestigd gezien, dat honden bij de paring een besliste voorkeur voor elkander toonen, en daarbij dikwijls de grootte, de levendige kleur en het individueele karakter en ook de mate van hun vroegere vertrouwelijkheid invloed op hen hebben.”
Wegens deze feiten kan er geen twijfel bestaan, dat bij de meeste onzer tamme viervoetige dieren dikwijls sterke individueele antipathieën en voorliefden worden getoond, en dat wel veel algemeener door het wijfje dan door het mannetje. Daar dit het geval is, is het onwaarschijnlijk, dat de paringen van viervoetige dieren in den natuurstaat aan het bloote toeval zouden zijn overgelaten. Het is veel waarschijnlijker, dat de wijfjes door bijzondere mannetjes worden aangelokt of opgewekt, die zekere kenmerken in hoogere mate bezitten dan andere mannetjes; maar welke deze kenmerken zijn, kunnen wij zelden of nooit met zekerheid ontdekken.
AANTEEKENINGEN.
Het tweede dezer runderen (Bos Urus) was het dier dat de Duitschers „Auerochs” noemden; sedert het op het vasteland van Europa is uitgestorven wordt de naam door zeer vele schrijvers voor Bos bonasus gebruikt; hiertegen bestaat m.i. niet veel bezwaar (verba valent usu) wanneer slechts altijd, ’t zij uit den zin, ’t zij door de bijvoeging van den Latijnschen naam, blijkt, van welk der twee runderen sprake is, nog liever, wanneer men dan den naam „Auerochs” niet voor Bos Urus gebruikt. Dat oorspronkelijk Bos Urus Auerochs werd genoemd, doch tevens, dat de naamsverwarring reeds uit oude tijden dagteekent, blijkt o.a. uit twee afbeeldingen van wilde runderen, die in een oud boekje over Rusland en Polen van den Oostenrijkschen gezant von Herberstain voorkomen. Onder de eerste die een op ons tam rund gelijkend dier voorstelt, staat: „Ich bin der Urus, welchen die Polen Tur nennen, die Deutschen Auerox, die Nichtkenner Bison”, en onder de tweede: „Ich bin der Bison, welchen die Polen Subr nennen, die Deutschen Wysent, die Nichtkenner Urochs.”
Van de Wisent leeft nog ééne enkele kudde in het woud van Bialowicza in Lithauen, dank zij de bescherming, haar aldaar achtereenvolgens door de koningen van Polen en de keizers van Rusland verleend. In 1853 was deze kudde 1543 stuks sterk, doch in 1866 nog slechts 500 stuks. Daarenboven heeft men in de laatste jaren ook in den Kaukasus Wisents aangetroffen, en ook in Midden-Azië moeten er nog in den omtrek van het meer Koko-Nor voorkomen.
Deze Wisents, gewoonlijk minder juist Auerossen genoemd, zijn runderen met sterke manen op schoft en hals, met zeer breed gewelfd voorhoofd, op den bekenden Amerikaanschen Bison gelijkende; in den loop der eeuwen schijnen zij in grootte te zijn afgenomen; een in 1555 in Pruisen gedoode Wisentstier toch was 2,1 meter hoog en 3,9 meter lang; tegenwoordig zijn de grootste stieren zelden meer dan 1,5 meter hoog en 2,25 meter lang.
Zooals wij reeds zeiden, is de Urus op het vaste land van Europa uitgestorven. Ook in Groot-Brittannië kwamen echter in de Middeleeuwen wilde runderen voor, die o.a. de bosschen in den omtrek van Londen zeer onveilig maakten en door wier bestrijding sommige ridders zich veel roem verwierven. Waarschijnlijk behoorden deze runderen tot de zelfde soort als de Urus, of waren ten minste van nauwverwante soort.
In de dertiende eeuw waren deze wilde runderen in den omtrek van Londen reeds geheel uitgestorven; ook elders worden zij hoe langer hoe zeldzamer. In 1260 werd door toedoen van Williams van Farrarus het park van Chartly in Staffordshire met een omheining omgeven, opdat de wilde runderen daar rustig in volle vrijheid zouden kunnen blijven voortleven. Op verscheidene andere plaatsen vond dit voorbeeld navolging. In het begin der zestiende eeuw werd het nergens dan in deze parken aangetroffen, wier aantal tegenwoordig tot vier of vijf is geslonken, waarvan het bekendste dat van Chillinghamcastle bij Berwick aan de Tweed in Northumberlandshire is. Eén dier parken (dat in het Cadzowwoud bij Hamilton in Lanarcshire) ligt in Schotland. Men vergelijke over deze parkrunderen, Darwin, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 100.