Note 3 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
(3) De spoor van het mannetje is doorboord en de holte staat in verband met een aan de binnenzijde der dij gelegen klier. Volgens Harting („Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 314) bezit het door de klier afgescheiden vocht echter geen vergiftige eigenschappen, en bezit het wijfje op de plaats waar zich bij het mannetje de spoor bevindt, een holte, vermoedelijk dienende tot opneming van de spoor tijdens de paring. Om deze redenen vermoed ik, dat Darwin de spoor van het vogelbekdier ten onrechte voor een aanvals- (offensief) wapen houdt, en zij integendeel een paringsorgaan is.