SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Verschillen tusschen man en vrouw.—Oorzaken van die verschillen en van sommige kenmerken die aan beide seksen gemeen zijn.—Gevechten.—Verschillen in geestvermogens—en stem.—Over den invloed der schoonheid op het bepalen der huwelijken bij den mensch.—Opmerkzaamheid, door wilden aan versierselen gewijd.—Hun begrippen van schoonheid bij de vrouw.—De neiging om elke natuurlijke bijzonderheid te overdrijven.
In de vorige hoofdstukken hebben wij gezien, dat bij de Zoogdieren, Vogels, Visschen, Insekten enz. vele kenmerken welke men alle reden heeft om te gelooven, dat oorspronkelijk door seksueele teeltkeus alleen door ééne sekse werden verkregen, op beide seksen zijn overgebracht. Daar deze zelfde vorm van overplanting bij den mensch in ruime mate de overhand schijnt te hebben behouden, zullen wij veel nuttelooze herhalingen vermijden, indien wij de aan mannelijke seksen bijzonder eigen kenmerken tegelijk met zekere andere aan beide seksen gemeene kenmerken beschouwen.
Verschil in Geestvermogens van de beide Seksen.—Wat verschillen van dezen aard tusschen man en vrouw aangaat, is het waarschijnlijk, dat de seksueele teeltkeus een zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Ik weet zeer goed, dat sommige schrijvers betwijfelen of er eenig dergelijk hun van nature aanklevend verschil bestaat; maar dit is minst genomen waarschijnlijk wegens de analogie der lagere dieren die andere secundaire seksueele kenmerken vertoonen. Niemand zal tegenspreken, dat de stier in aard van de koe, het mannelijke wilde zwijn van de zeug, de hengst van de merrie, en, gelijk aan de bezitters van menagerieën welbekend is, de mannetjes van de grootere aapsoorten van de wijfjes verschillen. De vrouw schijnt van den man te verschillen in verstandelijken aanleg, en vooral ook door haar grootere teederheid en geringer zelfzucht; en dit geval gaat zelfs bij wilden door, gelijk uit een welbekende plaats uit Mungo Park’s reizen en uit mededeelingen, door vele andere reizigers gedaan, blijkt. Ten gevolge van haar moederlijke instinkten spreiden vrouwen deze hoedanigheden in buitengewone mate jegens haar kinderen ten toon; daarom is het waarschijnlijk, dat zij die dikwijls tot haar medeschepselen zullen uitbreiden. De man is de mededinger van andere mannen; hij schept behagen in het wedijveren en dit leidt tot eerzucht die maar al te gemakkelijk in zelfzucht overgaat. Deze laatste hoedanigheden schijnen zijn natuurlijk en rampzalig geboorterecht te zijn. Men neemt algemeen aan, dat bij de vrouw de vermogens van rechtstreeksche erkenning (intuïtie), van snelle opmerking, en wellicht van navolging sterker zijn uitgedrukt dan bij den man; maar op zijn minst sommige van deze vermogens zijn kenmerkend voor de lagere rassen, en derhalve voor een vervlogen en lageren trap van beschaving.
Het hoofdonderscheid in de verstandelijke vermogens der beide seksen blijkt hieruit, dat de man, in al wat hij aangrijpt, een hoogeren graad van voortreffelijkheid bereikt dan de vrouw kan bereiken,—hetzij zulks diepe gedachte, rede of verbeeldingskracht, of wel alleen het gebruik van zinnen en handen vereischt. Indien er twee lijsten werden gemaakt van de mannen en de vrouwen die het meest hebben uitgeblonken in dichtkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek—met inbegrip van compositie en uitvoering—, geschiedenis, wetenschap en wijsbegeerte, met een half dozijn namen onder elk vak, dan zouden die beide lijsten niet met elkander te vergelijken wezen. Wij mogen derhalve uit de wet van de afwijking van het gemiddelde die de heer Galton in zijn werk „Hereditary Genius” zoo uitnemend heeft uiteengezet, afleiden, dat indien de mannen in staat zijn in vele onderwerpen beslist uit te munten, de gemiddelde maatstaf van het verstandelijk vermogen bij den man hooger moet staan dan bij de vrouw. (3)
De half-menschelijke mannelijke voorouders van den mensch en de menschen in wilden staat hebben gedurende vele geslachten om het bezit der vrouwen gestreden. Eenvoudige lichamelijke kracht en groote gestalte zouden echter slechts weinig tot de zegepraal bijdragen, wanneer zij niet waren verbonden met moed, volharding en onverschrokken geestkracht. Bij sociale dieren moeten de jonge mannetjes menigen strijd doorstaan, voor zij een wijfje winnen en de oude mannetjes kunnen hun wijfjes alleen door hernieuwde gevechten behouden. Zij moeten ook, in het geval van den mensch, hun wijfjes en ook hun jongen tegen allerlei soort van vijanden verdedigen en voor hun gemeenschappelijk onderhoud op de jacht gaan. Om echter vijanden te vermijden of hen met goed gevolg aan te vallen, om wilde dieren te vangen en wapenen uit te vinden en te fatsoeneeren, wordt de hulp van hoogere geestvermogens, namelijk waarnemingsvermogen, rede, uitvindingsvermogen of verbeeldingskracht vereischt. Deze onderscheidene vermogens zullen dus voortdurend op de proef zijn gesteld en gedurende den manbaren leeftijd voor de voortteling uitgekozen; zij zullen daarenboven gedurende dit zelfde levenstijdperk door het gebruik zijn versterkt. Derhalve mochten wij, in overeenstemming met het meermalen aangehaalde beginsel, verwachten, dat zij minst genomen een neiging zouden bezitten om hoofdzakelijk op de mannelijke sekse op den overeenkomstigen mannelijken leeftijd te worden overgeplant.
Al deze feiten betrekkelijk de muziek worden tot op zekere hoogte begrijpelijk, indien wij mogen aannemen, dat de muzikale tonen en rhythmus door de half-menschelijke voorouders van den mensch werden gebruikt gedurende het jaargetijde der liefde, wanneer dieren van alle soorten door de sterkste hartstochten worden geprikkeld. In dit geval zouden, wegens het diep ingeplante beginsel van overgeërfde verbindingen van denkbeelden („associations”), muzikale tonen geschikt zijn om op onbestemde en onbepaalde wijze de sterkste gemoedsaandoeningen van een lang vervlogen verleden in ons op te wekken.
Over den Invloed der Schoonheid op het bepalen der Huwelijken bij den Mensch.—In het beschaafde leven oefent uiterlijke schoonheid in hooge mate, maar in geenen deele uitsluitend, invloed uit op den man bij de keus zijner vrouw; wij hebben hier echter hoofdzakelijk met oorspronkelijke tijden te maken, en ons eenig middel om ons een oordeel hierover te vormen, is de gewoonten van thans levende halfbeschaafde en wilde volken te bestudeeren. Indien kan worden aangetoond, dat mannen van verschillende rassen de voorkeur geven aan vrouwen die zekere eigenaardige kenmerken bezitten, of omgekeerd, dat de vrouwen aan zekere mannen de voorkeur geven, dan blijft ons te onderzoeken over, of een dergelijke keus, gedurende vele generatiën voortgezet, eenige merkbare uitwerking op het ras zou voortbrengen, hetzij dan op ééne sekse of op beide seksen, welke laatste omstandigheid zou afhangen van den vorm van erfelijkheid die de overhand behield.
Wat de kleur aangaat, bespotten de negers Mungo Park wegens de blankheid zijner huid en het vooruitsteken van zijn neus, hetwelk zij beide als „afzichtelijke en onnatuurlijke mismaaktheden” beschouwden. Hij beantwoordde dit door de glanzende zwartheid hunner huid en de bekoorlijke platheid hunner neuzen te prijzen; dit, zeiden zij, was vleierij („honigmond”); maar toch gaven zij hem voedsel. Ook de Afrikaansche Mooren „fronsten hun wenkbrauwen en schenen te rillen” van de blankheid zijner huid. Op de Oostkust riepen de negerjongens, toen zij Burton zagen, uit: „Kijk dien blanken man eens; ziet hij er niet uit als een witte aap?” Op de Westkust bewonderen de Negers, gelijk de heer Windwood Reade mij mededeelt, een zeer zwarte huid meer dan een van lichtere tint. Hun afschuw van blankheid moet echter, volgens dezen zelfden reiziger, worden toegeschreven aan het geloof, dat bij de meeste negers heerscht, dat duivels en geesten blank zijn.
AANTEEKENINGEN.
1o. de Negers afstammen van een bruin menschenras met blauwe oogen en dat bruin, niet kroezend haar bezat. In sommige kenmerken zouden dan de tegenwoordige Nubiërs tusschen dit menschenras en de Negers instaan.
2o. de Australiërs afstammen van een geelachtig bruin menschenras dat derhalve in kleur meer overeenkomst had met de tegenwoordige Maleiers.
3o. de inboorlingen van Amerika afstammen van een geel gekleurd menschenras; waarschijnlijk kwam dit ras overeen met de tegenwoordige Mongolen.
Zoo deze gevolgtrekkingen niet geheel ongegrond zijn, dan zou Haeckel’s Stamboom der twaalf menschensoorten (Deel I, blz. 381), wat de afstamming der Negers aangaat, belangrijke wijzigingen moeten ondergaan, daar zij, ofschoon Ulotrichen, van Lissotrichen zouden afstammen. Deze beschouwing is ook alleszins geschikt om het overdreven gewicht dat sommige anthropologen aan het verschil in aard van het haar hechten, een weinig te doen afnemen.
Voor allen die de minderheid der vrouw tegenover den man volhouden, moet het onverklaarbaar zijn, dat in de Vereenigde Staten van 1790 tot 1888 aan vrouwen niet minder dan 2500 patenten voor verschillende uitvindingen zijn verleend. Hoe dit te rijmen met de vermeende minderheid der vrouw? In de Vereenigde Staten behooren tegenwoordig 14.465 der handelsreizigers tot het vrouwelijk geslacht.
Zie ook Dr. Büchner in zijn door mij bewerkt boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.