← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2)

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Verschillen tusschen man en vrouw.—Oorzaken van die verschillen en van sommige kenmerken die aan beide seksen gemeen zijn.—Gevechten.—Verschillen in geestvermogens—en stem.—Over den invloed der schoonheid op het bepalen der huwelijken bij den mensch.—Opmerkzaamheid, door wilden aan versierselen gewijd.—Hun begrippen van schoonheid bij de vrouw.—De neiging om elke natuurlijke bijzonderheid te overdrijven.

In de vorige hoofdstukken hebben wij gezien, dat bij de Zoogdieren, Vogels, Visschen, Insekten enz. vele kenmerken welke men alle reden heeft om te gelooven, dat oorspronkelijk door seksueele teeltkeus alleen door ééne sekse werden verkregen, op beide seksen zijn overgebracht. Daar deze zelfde vorm van overplanting bij den mensch in ruime mate de overhand schijnt te hebben behouden, zullen wij veel nuttelooze herhalingen vermijden, indien wij de aan mannelijke seksen bijzonder eigen kenmerken tegelijk met zekere andere aan beide seksen gemeene kenmerken beschouwen.

Verschil in Geestvermogens van de beide Seksen.—Wat verschillen van dezen aard tusschen man en vrouw aangaat, is het waarschijnlijk, dat de seksueele teeltkeus een zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Ik weet zeer goed, dat sommige schrijvers betwijfelen of er eenig dergelijk hun van nature aanklevend verschil bestaat; maar dit is minst genomen waarschijnlijk wegens de analogie der lagere dieren die andere secundaire seksueele kenmerken vertoonen. Niemand zal tegenspreken, dat de stier in aard van de koe, het mannelijke wilde zwijn van de zeug, de hengst van de merrie, en, gelijk aan de bezitters van menagerieën welbekend is, de mannetjes van de grootere aapsoorten van de wijfjes verschillen. De vrouw schijnt van den man te verschillen in verstandelijken aanleg, en vooral ook door haar grootere teederheid en geringer zelfzucht; en dit geval gaat zelfs bij wilden door, gelijk uit een welbekende plaats uit Mungo Park’s reizen en uit mededeelingen, door vele andere reizigers gedaan, blijkt. Ten gevolge van haar moederlijke instinkten spreiden vrouwen deze hoedanigheden in buitengewone mate jegens haar kinderen ten toon; daarom is het waarschijnlijk, dat zij die dikwijls tot haar medeschepselen zullen uitbreiden. De man is de mededinger van andere mannen; hij schept behagen in het wedijveren en dit leidt tot eerzucht die maar al te gemakkelijk in zelfzucht overgaat. Deze laatste hoedanigheden schijnen zijn natuurlijk en rampzalig geboorterecht te zijn. Men neemt algemeen aan, dat bij de vrouw de vermogens van rechtstreeksche erkenning (intuïtie), van snelle opmerking, en wellicht van navolging sterker zijn uitgedrukt dan bij den man; maar op zijn minst sommige van deze vermogens zijn kenmerkend voor de lagere rassen, en derhalve voor een vervlogen en lageren trap van beschaving.

Het hoofdonderscheid in de verstandelijke vermogens der beide seksen blijkt hieruit, dat de man, in al wat hij aangrijpt, een hoogeren graad van voortreffelijkheid bereikt dan de vrouw kan bereiken,—hetzij zulks diepe gedachte, rede of verbeeldingskracht, of wel alleen het gebruik van zinnen en handen vereischt. Indien er twee lijsten werden gemaakt van de mannen en de vrouwen die het meest hebben uitgeblonken in dichtkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek—met inbegrip van compositie en uitvoering—, geschiedenis, wetenschap en wijsbegeerte, met een half dozijn namen onder elk vak, dan zouden die beide lijsten niet met elkander te vergelijken wezen. Wij mogen derhalve uit de wet van de afwijking van het gemiddelde die de heer Galton in zijn werk „Hereditary Genius” zoo uitnemend heeft uiteengezet, afleiden, dat indien de mannen in staat zijn in vele onderwerpen beslist uit te munten, de gemiddelde maatstaf van het verstandelijk vermogen bij den man hooger moet staan dan bij de vrouw. (3)

De half-menschelijke mannelijke voorouders van den mensch en de menschen in wilden staat hebben gedurende vele geslachten om het bezit der vrouwen gestreden. Eenvoudige lichamelijke kracht en groote gestalte zouden echter slechts weinig tot de zegepraal bijdragen, wanneer zij niet waren verbonden met moed, volharding en onverschrokken geestkracht. Bij sociale dieren moeten de jonge mannetjes menigen strijd doorstaan, voor zij een wijfje winnen en de oude mannetjes kunnen hun wijfjes alleen door hernieuwde gevechten behouden. Zij moeten ook, in het geval van den mensch, hun wijfjes en ook hun jongen tegen allerlei soort van vijanden verdedigen en voor hun gemeenschappelijk onderhoud op de jacht gaan. Om echter vijanden te vermijden of hen met goed gevolg aan te vallen, om wilde dieren te vangen en wapenen uit te vinden en te fatsoeneeren, wordt de hulp van hoogere geestvermogens, namelijk waarnemingsvermogen, rede, uitvindingsvermogen of verbeeldingskracht vereischt. Deze onderscheidene vermogens zullen dus voortdurend op de proef zijn gesteld en gedurende den manbaren leeftijd voor de voortteling uitgekozen; zij zullen daarenboven gedurende dit zelfde levenstijdperk door het gebruik zijn versterkt. Derhalve mochten wij, in overeenstemming met het meermalen aangehaalde beginsel, verwachten, dat zij minst genomen een neiging zouden bezitten om hoofdzakelijk op de mannelijke sekse op den overeenkomstigen mannelijken leeftijd te worden overgeplant.

Al deze feiten betrekkelijk de muziek worden tot op zekere hoogte begrijpelijk, indien wij mogen aannemen, dat de muzikale tonen en rhythmus door de half-menschelijke voorouders van den mensch werden gebruikt gedurende het jaargetijde der liefde, wanneer dieren van alle soorten door de sterkste hartstochten worden geprikkeld. In dit geval zouden, wegens het diep ingeplante beginsel van overgeërfde verbindingen van denkbeelden („associations”), muzikale tonen geschikt zijn om op onbestemde en onbepaalde wijze de sterkste gemoedsaandoeningen van een lang vervlogen verleden in ons op te wekken.

Over den Invloed der Schoonheid op het bepalen der Huwelijken bij den Mensch.—In het beschaafde leven oefent uiterlijke schoonheid in hooge mate, maar in geenen deele uitsluitend, invloed uit op den man bij de keus zijner vrouw; wij hebben hier echter hoofdzakelijk met oorspronkelijke tijden te maken, en ons eenig middel om ons een oordeel hierover te vormen, is de gewoonten van thans levende halfbeschaafde en wilde volken te bestudeeren. Indien kan worden aangetoond, dat mannen van verschillende rassen de voorkeur geven aan vrouwen die zekere eigenaardige kenmerken bezitten, of omgekeerd, dat de vrouwen aan zekere mannen de voorkeur geven, dan blijft ons te onderzoeken over, of een dergelijke keus, gedurende vele generatiën voortgezet, eenige merkbare uitwerking op het ras zou voortbrengen, hetzij dan op ééne sekse of op beide seksen, welke laatste omstandigheid zou afhangen van den vorm van erfelijkheid die de overhand behield.

Wat de kleur aangaat, bespotten de negers Mungo Park wegens de blankheid zijner huid en het vooruitsteken van zijn neus, hetwelk zij beide als „afzichtelijke en onnatuurlijke mismaaktheden” beschouwden. Hij beantwoordde dit door de glanzende zwartheid hunner huid en de bekoorlijke platheid hunner neuzen te prijzen; dit, zeiden zij, was vleierij („honigmond”); maar toch gaven zij hem voedsel. Ook de Afrikaansche Mooren „fronsten hun wenkbrauwen en schenen te rillen” van de blankheid zijner huid. Op de Oostkust riepen de negerjongens, toen zij Burton zagen, uit: „Kijk dien blanken man eens; ziet hij er niet uit als een witte aap?” Op de Westkust bewonderen de Negers, gelijk de heer Windwood Reade mij mededeelt, een zeer zwarte huid meer dan een van lichtere tint. Hun afschuw van blankheid moet echter, volgens dezen zelfden reiziger, worden toegeschreven aan het geloof, dat bij de meeste negers heerscht, dat duivels en geesten blank zijn.

AANTEEKENINGEN.

1o. de Negers afstammen van een bruin menschenras met blauwe oogen en dat bruin, niet kroezend haar bezat. In sommige kenmerken zouden dan de tegenwoordige Nubiërs tusschen dit menschenras en de Negers instaan.

2o. de Australiërs afstammen van een geelachtig bruin menschenras dat derhalve in kleur meer overeenkomst had met de tegenwoordige Maleiers.

3o. de inboorlingen van Amerika afstammen van een geel gekleurd menschenras; waarschijnlijk kwam dit ras overeen met de tegenwoordige Mongolen.

Zoo deze gevolgtrekkingen niet geheel ongegrond zijn, dan zou Haeckel’s Stamboom der twaalf menschensoorten (Deel I, blz. 381), wat de afstamming der Negers aangaat, belangrijke wijzigingen moeten ondergaan, daar zij, ofschoon Ulotrichen, van Lissotrichen zouden afstammen. Deze beschouwing is ook alleszins geschikt om het overdreven gewicht dat sommige anthropologen aan het verschil in aard van het haar hechten, een weinig te doen afnemen.

Voor allen die de minderheid der vrouw tegenover den man volhouden, moet het onverklaarbaar zijn, dat in de Vereenigde Staten van 1790 tot 1888 aan vrouwen niet minder dan 2500 patenten voor verschillende uitvindingen zijn verleend. Hoe dit te rijmen met de vermeende minderheid der vrouw? In de Vereenigde Staten behooren tegenwoordig 14.465 der handelsreizigers tot het vrouwelijk geslacht.

Zie ook Dr. Büchner in zijn door mij bewerkt boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.

Notes in this chapter

Note 1 · Schaaffhausen, vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 419, 420, 427. ↑Note 2 · „The Heart of Africa”, Eng. vert., 1873, vol. I, blz. 544. ↑Note 3 · Ecker, vertaling in „Anthropolog. Review”, Oct. 1868, blz. 351–356. De vergelijking van den schedelvorm van den man met dien van de vrouw isNote 4 · (1) In den beroemden „Dictionnaire de Médecine, de Chirurgie, de Pharmacie, des Sciences accessoires et de l’Art Vétérinaire”, d’après le plNote 5 · Ecker en Welcker, ibid., blz. 352, 355; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vertaling, blz. 81. ↑Note 6 · Schaaffhausen, „Anthropolog. Review”, ibid., blz. 429. ↑Note 7 · Pruner-Bey, omtrent negerkinderen, aangehaald door Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., 1864, blz. 189; voor verdere feiten omtrent negerkinNote 8 · (2) In verband met den regel, dat de veranderingen die elk individu gedurende zijn ontwikkeling doorloopt, slechts een verkorte herhaling ziNote 9 · Rengger, „Säugethiere” enz., 1830, blz. 49. ↑Note 10 · Zooals bij Macacus cynomolgus (Desmarest, „Mammalogie”, blz. 65) en bij Hylobates agilis (Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. desNote 11 · „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 253. ↑Note 12 · De heer Blyth meldt mij, dat hij nooit meer dan één voorbeeld heeft gezien, dat de baard, bakkebaarden enz. bij een aap in den ouderdom grijNote 13 · Dit is het geval met de wijfjes van onderscheidene soorten van Gibbons (Hylobates), zie Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist Nat. des MaNote 14 · De resultaten werden door Dr. Weisbach afgeleid uit de door Dr. Scherzer en Dr. Schwarz gedane metingen, zie „Reise der Novara: Anthropolog.Note 15 · „Voyage to St. Kilda” (3rd. edit, 1753), blz. 27. ↑Note 16 · Sir J. E. Tennent, „Ceylon”, vol. II, 1859, blz. 107. ↑Note 17 · Quatrefages, „Revue des Cours Scientifiques”, 29 Aug. 1868, blz. 630; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., blz. 127. ↑Note 18 · Over de baarden van de negers, Vogt, „Lectures” enz., ibid., blz. 127; Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. vert., 1863, vol. I, blz. 9Note 19 · Wallace, „The Malay Arch.”, vol. II, 1869, blz. 178. ↑Note 20 · Dr. J. Barnard Davis over Oceanische rassen, in „Anthropolog. Review”, April, 1870, blz. 185, 191. ↑Note 21 · Catlin, „North American Indians”, 3rd. edit., 1842, vol. II, blz. 227. Over de Guarani’s, zie Azara, „Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome Note 22 · Prof. en Mevrouw Agassiz („Journey in Brazil”, blz. 530) merken op, dat de seksen van de Amerikaansche Indianen minder verschillen dan die vNote 23 · Rütimeyer, „Die Grenzen der Thierwelt; eine Betrachtung zu Darwin’s Lehre”, 1868, blz. 54. ↑Note 24 · „A Journey from Prince of Wales Fort”, 8vo. ed., Dublin, 1796, blz. 104. Sir J. Lubbock („Origin of Civilisation”, 1870, blz. 69) deelt andeNote 25 · Over het vechten der mannelijke gorilla’s, zie Dr. Savage in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1847, blz. 423. Omtrent Presbytis entelNote 26 · (3) Dit oordeel schijnt mij in de hoogste mate onbillijk. Het zou alleen op kunnen gaan, wanneer de vrouw in onze maatschappij de zelfde gelNote 27 · J. Stuart Mill merkt op („The Subjection of Women”, 1869, blz. 122): „De dingen waarin de man de vrouw het meest overtreft, zijn die welke hNote 28 · Een opmerking van Vogt heeft op dit onderwerp betrekking; hij zegt: „het is een opmerkelijk feit, dat het verschil tusschen de seksen, met bNote 29 · Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 603. ↑Note 30 · „Journal of the Anthropolog. Soc.”, 1869, blz. LVII, LXVI. ↑Note 31 · Dr. Scudder, „Notes on Stridulation”, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XI, April 1868. ↑Note 32 · (4) De Gewervelde Dieren (Vertebrata) zijn geen Klasse, maar een Typus of Onder-Rijk.Note 33 · Medegedeeld in W. C. L. Martin’s „General Introduc. to Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 432; Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. IINote 34 · (5) Brehm („Thierleben”, Bd. I, blz. 39) zegt van den vrouwelijken H. agilis uit den Londenschen dierentuin, dat hij „somtijds zeer luid en Note 35 · Helmholtz, „Théorie Phys. de la Musique”, 1868, blz. 187. ↑Note 36 · De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc”, 1868, blz. 410. ↑ a bNote 37 · „Journal of Anthropolog. Soc.” Oct. 1870, blz. CLV. Zie ook de verschillende latere hoofdstukken in Sir Lubbock’s „Prehistoric Times”, die eNote 38 · (6) „Het Rendiertijdperk”, vergelijk Deel I, aanteekening 23, blz. 44.Note 39 · Sedert dit hoofdstuk is afgedrukt, heb ik een hoogst belangrijk artikel gelezen van den heer Chauncey Wright („North Amer. Review”, Oct. 187Note 40 · Zie de zeer belangwekkende bespreking van den Oorsprong en de de Werking der Muziek, door den heer Herbert Spencer in zijn verzameling van „Note 41 · Rengger, „Säugethiere von Paraguay”, blz. 49. ↑Note 42 · Ik vind in Lord Monboddo’s „Origin of Language”, vol. I (1774), blz. 469, dat Dr. Blacklock eveneens dacht: „dat de eerste taal onder de menNote 43 · Zie een belangrijke beschouwing over dit onderwerp in Häckel, „Generelle Morph.”, Bd. II, 1856, blz. 246. ↑Note 44 · Een uitvoerige en uitnemende beschrijving van de wijze waarop wilden uit alle deelen der wereld zich versieren, heeft de Italiaansche reizigNote 45 · Humboldt, „Personal Narrative”, Eng. vertaling, vol. IV, blz. 515; over de verbeeldingskracht die uit het beschilderen van het lichaam blijkNote 46 · (7) Vandaar noemden de Romeinen zelfs een der Britsche stammen Picti. In vele streken van Europa vindt men nog heden bijna geen boer, of hijNote 47 · (8) „Steatopygisch”; eigenlijk beteekent dit vetbillig (van στέαο, vet, en πυγή, bil). Vergelijk Deel I, aanteekening 11, blz. 378.Note 48 · „The Nile Tributaries”, 1867; „The Albert Nyanza”, 1866, vol. I, blz. 218. ↑Note 49 · Medegedeeld door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 4th. edit., vol. I, 1851, blz. 351. ↑Note 50 · Omtrent de Papoea’s, Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II, blz. 445. Over het kapsel der Afrikanen, Sir S. Baker, „The Albert Nyanza”, Note 51 · „Travels”, blz. 533. ↑Note 52 · „The Albert Nyanza”, 1866, vol. I, blz. 217. ↑Note 53 · Livingstone, „British Association”, 1860; verslag gegeven in het „Athenaeum”, 7 Juli 1860, blz. 29. ↑Note 54 · Sir S. Baker (ibid., vol. I, blz. 210) zegt, van de inboorlingen van Centraal-Afrika sprekende: „elke stam heeft een verschillende en onveraNote 55 · De weleerw. heer R. Taylor, „New Zealand and its Inhabitants” 1855, blz. 152. ↑Note 56 · Mantegazza, „Viaggi e Studi”, blz. 542. ↑Note 57 · „Travels in South Africa”, 1824, vol. I, blz. 414. ↑Note 58 · Zie omtrent de aanhalingen Gerland, „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868, blz. 51, 53, 55; ook Azara, „Voyages” enz., tome II, blz. Note 59 · Over de voortbrengselen van het plantenrijk, die door de Noordwestelijke Amerikaansche Indianen worden gebruikt, „Pharmaceutical Journal”, vNote 60 · „A Journey from Prince of Wales Fort”, 8vo edit. 1796, blz. 89. ↑Note 61 · Aangehaald door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 3rd. edit., vol. IV, 1844, blz. 519; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., blz. 129. OmtrNote 62 · Prichard volgens de opgaven van Crawfurd en Finlayson, „Phys. Hist. of Mankind”, vol. IV, blz. 534, 535. ↑Note 63 · (9) „a tergo” beteekent: aan de achterzijde.Note 64 · „Idem illustrissimus viator dixit mihi praecinctorium vel tabula foeminae, quod nobis teterrimum est, quondam permagno aestimari ab hominibuNote 65 · (10) In het „Archiv für Anthropologie”, Bd. IV, 1870, blz. 221, komt een zeer belangwekkend artikel van H. Welcker, „Ueber die künstliche VeNote 66 · „The Anthropological Review”, Nov. 1864, blz. 237. Voor verdere aanhalingen, zie Waitz, „Introduction to Anthropology”, Eng. vert., 1863, voNote 67 · „Mungo Park’s Travels in Africa”, 4to, 1816, blz. 53, 131. Burton’s mededeeling wordt door Schaaffhausen aangehaald, „Archiv für AnthropologNote 68 · Omtrent de Javanen en Cochin-Chineezen, zie Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. vert., vol. I, blz. 305. Omtrent de Yura-Cara’s A. d’ONote 69 · „North American Indians”, door G. Catlin, 3rd. edit., 1842, vol. I, blz. 49; vol. II, blz. 227. Omtrent de inboorlingen van Vancouver’s EilaNote 70 · Omtrent de Siameezen, Prichard, ibid., vol. IV, blz. 533. Omtrent de Japanneezen, Veitch in „Gardener’s Chronicle”, 1860, blz. 1104. OmtrentNote 71 · Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 321. ↑Note 72 · Dr. Barnard Davis haalt Dr. Prichard en anderen wegens deze op de Polynesiërs betrekking hebbende feiten aan in „Anthropological Review”, ApNote 73 · Ch. Comte maakt opmerkingen in dezen zin in zijn „Traité de Législation”, 3rd. edit., 1837, blz. 136. ↑Note 74 · De Vuurlanders beschouwen, gelijk mij een zendeling heeft medegedeeld, die lang onder hen heeft geleefd, Europeesche vrouwen als uiterst schNote 75 · „Personal Narrative”, Eng. vert., vol. IV, blz. 518, en elders. Mantegazza wijst in zijn „Viaggi e Studi”, 1867, met aandrang op dit zelfde Note 76 · Omtrent de schedels der Amerikaansche stammen, zie Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, 1854, blz. 440; Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, Note 77 · Omtrent de Hunnen, Godron, „De l’Espèce”, tome II, 1859, blz. 300. Omtrent de bewoners van Otaheite, Waitz, „Anthropolog.”, Eng. vert., vol.Note 78 · Dit feit werd op de reis der Novara bewezen: „Reise der Novara; Anthropolog. Theil”, Dr. Weisbach, 1867, blz. 265. ↑Note 79 · „Smithsonian Institution”, 1863, blz. 289. Over de modes der Arabische vrouwen, Sir S. Baker, „The Nile Tributaries”, 1867, blz. 121. ↑Note 80 · „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel I, blz. 236; deel II, blz. 210. ↑Note 81 · Schaaffhausen, „Archiv für Anthropologie”, 1866, blz. 164. ↑Note 82 · De heer Bain („Mental and Moral Science”, 1868, blz. 304–314) heeft omtrent een dozijn min of meer verschillende theorieën van het denkbeeldNote 83 · De man is moediger, strijdlustiger en krachtiger dan de vrouw en heeft een vindingrijker geest. Zijn hersenen zijn absoluut grooter; maar ofNote 84 · Hypochondria (regiones hypochondriacae) zijn de streken van den buik, een rechts en een links, die uitwendig met dat deel van het geraamte oNote 85 · Ofschoon de hier opgegeven verschillen niet allen tot de secundaire seksueele kenmerken kunnen worden gebracht, scheen het mij niet onbelangNote 86 · Evenals bij dieren van alle Klassen, zoo komen ook bij den mensch de onderscheidene kenmerken van de mannelijke sekse niet tot volkomen ontwNote 87 · Er kan weinig twijfel zijn, dat de meerdere lichaamsgrootte en kracht van den man in vergelijking met de vrouw, en evenzoo zijn breedere schNote 88 · De door Visschen voortgebrachte geluiden worden, naar men zegt, in sommige gevallen alleen door de mannetjes gedurende den paartijd gemaakt.Note 89 · In de Klasse der Zoogdieren waarmede wij hier meer bijzonder hebben te maken, gebruiken de mannetjes van bijna alle soorten hun stemmen geduNote 90 · De muzikale vermogens die bij geen enkel ras volkomen ontbreken, zijn vatbaar voor snelle en hooge ontwikkeling, gelijk wij bij HottentottenNote 91 · Het zal goed zijn eerst eenigermate uitvoerig aan te toonen, dat wilden de grootste aandacht wijden aan hun uiterlijk aanzien.38 Dat zij eenNote 92 · Ta-Mah beteekent Noordland; de bewoners van Ta-Mah zijn afgebeeld met blauwe oogen, blond haar en vleeschkleurig gelaat. ↑Note 93 · In een deel van Afrika worden de oogleden zwart, in een ander de nagels geel of purper gekleurd. Op vele plaatsen wordt het haar met onderscNote 94 · Het is welbekend, dat bij vele Hottentotsche vrouwen het achterdeel van het lichaam op verwonderlijke wijze achteruitsteekt; zij zijn steatoNote 95 · Bij den mensch zijn de verschillen tusschen de seksen grooter dan bij de meeste soorten van apen (Quadrumana), maar niet zoo groot als bij sNote 96 · Ik heb de voorgaande bekende verschillen tusschen de mannelijke en de vrouwelijke sekse bij den mensch bijzonder vermeld, omdat zij op merkwNote 97 · Wat de algemeene behaardheid van het lichaam betreft, zoo zijn de vrouwen bij alle rassen minder harig dan de mannen, en bij eenige weinige Note 98 · De secundaire seksueele kenmerken van den mensch zijn allen in hooge mate aan afwijkingen onderhevig, zelfs binnen de grenzen van één en hetNote 99 · De ontwikkeling van den baard en de behaardheid van het lichaam verschillen aanmerkelijk bij de menschen die tot verschillende rassen behoorNote 100 · Door het groote Amerikaansche vasteland heên kan men zeggen, dat de mannen baardeloos zijn; doch bij bijna al de stammen gebeurt het wel eenNote 101 · Gevechten.—Bij barbaarsche volken, bij voorbeeld bij de Australiërs, zijn de vrouwen voortdurend de oorzaak van oorlog, zoowel tusschen de iNote 102 · Andere soortgelijke feiten zouden kunnen worden medegedeeld; maar zelfs indien wij daaromtrent geen bewijzen hadden, zouden wij volgens de aNote 103 · Wanneer nu twee mannen, of een man en een vrouw, die alle geestvermogens in gelijke volkomenheid bezitten, met uitzondering dat de eene grooNote 104 · Men moet steeds bedenken, dat de neiging van door een van beide seksen in een laat levenstijdperk verkregen kenmerken om op de zelfde sekse Note 105 · Stem en Muzikale Vermogens.—Bij sommige soorten van Vierhandigen (Quadrumana) is er op volwassen leeftijd een groot verschil tusschen de sekNote 106 · Het vermogen om te zingen of muziek te maken en het behagen scheppen daarin, mag, hoewel het bij den mensch geen seksueel kenmerk is, hier nNote 107 · De waarneming van muzikale maten en van den rhythmus, zooal niet het behagen daarin, schijnt aan alle dingen gemeen te zijn, en hangt ongetwNote 108 · Bij den mensch neemt men algemeen aan, dat de zang de grondslag of oorsprong der instrumentale muziek is. Daar noch het behagen in muzikale Note 109 · De muziek werkt op elke gemoedsaandoening, maar wekt uit zich zelve bij ons de meer vreeselijke gemoedsaandoeningen van afschuw, woede, enz.Note 110 · Daar wij alle reden hebben om te gelooven, dat de gearticuleerde spraak een van de laatste kunsten is, gelijk het voorzeker de hoogste is, dNote 111 · Het haar wordt in onderscheidene landen met bijzondere zorg behandeld; men laat het in zijn volle lengte groeien, zoodat het tot den grond rNote 112 · Evenals bij ons hoofdzakelijk het gelaat wegens zijn schoonheid wordt bewonderd, is het bij de wilden de hoofdzetel der verminking. In alle Note 113 · Nauwelijks eenig deel van het lichaam, dat voor onnatuurlijke wijziging vatbaar is, is daaraan ontkomen. De som van het daardoor veroorzaaktNote 114 · Na deze voorloopige opmerkingen te hebben gemaakt omtrent de bewondering die door wilden wordt gevoeld voor onderscheidene versierselen en vNote 115 · Hearne52 die vele jaren onder de Amerikaansche Indianen doorbracht, en die een uitnemend waarnemer was, zegt, van de vrouwen sprekende: „VraNote 116 · Finlayson zegt, na het volk van Cochin-China zeer nauwkeurig te hebben beschreven, dat hun ronde hoofden en aangezichten hun voornaamste kenNote 117 · De Banyai van het meer zuidelijke gedeelte van het vasteland zijn negers; „maar een groot aantal van hen zijn van een lichte op koffie met mNote 118 · Laten wij ons nu tot andere deelen der wereld wenden. Op Java wordt een geel, niet een blank meisje volgens mevrouw Pfeiffer voor een schoonNote 119 · Bij onderscheidene Noord-Amerikaansche stammen groeit het hoofdhaar tot een verwonderlijke lengte; en Catlin geeft een merkwaardig bewijs, hNote 120 · Het is opmerkelijk, dat door de geheele wereld heên de rassen die bijna volstrekt geen baard hebben, haren op het aangezicht en het lichaam Note 121 · Gebaarde rassen daarentegen bewonderen hun baarden en waardeeren ze hoog; bij de Angelsaksers had ieder deel van het lichaam volgens hun wetNote 122 · Wij zien dus, hoezeer de verschillende menschenrassen in hun smaak voor het schoone verschillen. Bij iedere natie, ontwikkeld genoeg om afbeNote 123 · Ik heb zeer weinig opgaven ontmoet, die met het bovenvermelde besluit in strijd waren. De heer Winwood Reade die ruimschoots gelegenheid totNote 124 · De waarheid van het beginsel waarop Humboldt reeds voor langen tijd met aandrang heeft gewezen65, dat de mensch alle kenmerken, welke ook, dNote 125 · Evenals met den schedel, is het ook met den neus; de oude Hunnen gedurende den tijd van Attila waren gewoon de neuzen van hun kinderen door Note 126 · In de modes van onze eigen kleeding zien wij juist het zelfde beginsel en den zelfden wensch om elk punt tot een uiterste te drijven; ook wiNote 127 · Ongetwijfeld zijn de waarnemende vermogens van den mensch en de lagere dieren zoo ingericht, dat schitterende kleuren en zekere vormen, geli
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings