Note 52 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Hearne52 die vele jaren onder de Amerikaansche Indianen doorbracht, en die een uitnemend waarnemer was, zegt, van de vrouwen sprekende: „Vraag een Noordelijken Indiaan, wat schoonheid is, en hij zal antwoorden: een breed plat aangezicht, kleine oogen, hooge jukbeenderen, drie of vier breede zwarte lijnen dwars over elke wang, een laag voorhoofd, een groote breede kin, een ineengedrongen haakneus, een tanige huid, en borsten die tot den gordel nederhangen.” Pallas die de Noordelijke gedeelten van het Chineesche rijk bezocht, zegt: „aan die vrouwen wordt de voorkeur gegeven, welke den Mandschoe-vorm bezitten; dat wil zeggen, een breed gelaat, hooge jukbeenderen, zeer breede neuzen en verbazend groote oogen”53; en Vogt merkt op, dat de schuinheid van het oog, die aan de Chineezen en Japanneezen eigen is, in hun schilderijen wordt overdreven, naar het schijnt, met het doel „om er de schoonheid van te doen uitkomen, in tegenstelling met het oog der roodharige barbaren.” Het is welbekend, gelijk Huc herhaaldelijk opmerkt, dat de Chineezen van het binnenland de Europeanen met hun blanke huid en vooruitstekende neuzen voor afgrijselijk leelijk houden. De neus is ver van te vooruitstekend te zijn, volgens onze denkbeelden, bij de inboorlingen van Ceylon; toch „stonden de Chineezen in de zevende eeuw, gewend als zij waren aan de platte gelaatstrekken der Mongoolsche rassen, verbaasd over de vooruitstekende neuzen der Singaleezen”; en Thsang beschrijft hen als hebbende „den snavel van een vogel met het lichaam van een mensch.”