Note 10 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Als bij viervoetige dieren, gelijk dikwijls het geval is, de seksen in grootte verschillen, zijn de mannetjes, geloof ik, altijd grooter en sterker. Dit geldt op sterk uitgedrukte wijze, naar de heer Gould mij meldt, bij de Buideldieren (Marsupialia) van Australië, waarvan de mannetjes tot op een ongewoon laten leeftijd schijnen door te gaan met groeien. Het meest buitengewone geval is echter dat van een der robben, den zeebeer (Callorhinus ursinus) (10), waarbij een volgroeid wijfje minder dan een zesde van een volgroeid mannetje weegt.35 Dr. Gill merkt op, dat bij de in veelwijverij levende robben van welke de mannetjes, gelijk bekend is, woedend met elkander vechten, de seksen zeer in grootte verschillen; terwijl zij bij de eenwijvige soorten daarin slechts weinig verschillen. Ook de walvisschen leveren bewijzen van het verband tusschen de strijdlustigheid van de mannetjes en de grootte van hun lichaam, in vergelijking van die van het wijfje; de mannetjes van den Groenlandschen walvisch vechten niet met elkander, en zij zijn niet grooter, maar eer kleiner dan hun wijfjes; daarentegen vechten mannelijke cachelotten veel met elkander, en op hun lichaam vindt men „dikwijls litteekens met de indruksels van de tanden hunner mededingers”, en zij zijn dubbel zoo groot als de wijfjes. De grootere kracht van het mannetje wordt, gelijk Hunter reeds lang geleden opmerkte36, zonder uitzondering in die deelen van het lichaam ontwikkeld, die bij den kampstrijd met medeminnaars in werking worden gebracht, bij voorbeeld in den zwaren nek van den stier. Mannelijke viervoetige dieren zijn ook moediger en strijdlustiger dan de wijfjes. Er kan weinig twijfel bestaan, dat deze kenmerken zijn verkregen, gedeeltelijk door seksueele teeltkeus, ten gevolge van een lange reeks overwinningen door de sterkste en moedigste mannetjes over de zwakkere behaald, en gedeeltelijk door de overgeërfde gevolgen van het gebruik. Het is waarschijnlijk, dat de opeenvolgende afwijkingen in kracht, grootte en moed, hetzij die werden veroorzaakt door zoogenaamde spontane variabiliteit of door de gevolgen van het gebruik, door de opeenhooping waarvan de mannelijke viervoetige dieren de hen kenmerkende hoedanigheden hebben verkregen, zich vrij laat in het leven voordeden, en derhalve in haar overplanting in hooge mate tot de zelfde sekse beperkt bleven.