Note 57 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
De verscheidenheid van de geluiden, zoowel vocale als instrumentale, door de mannetjes van vele soorten gedurende den paartijd voortgebracht, en de verscheidenheid van de middelen om die geluiden voort te brengen, zijn hoogst opmerkelijk. Wij krijgen daardoor een hoog denkbeeld van haar belangrijkheid voor seksueele doeleinden, en worden herinnerd aan het zelfde besluit ten opzichte van Insekten. Het is niet moeilijk zich de trappen voor te stellen, door welke de noten van een vogel, oorspronkelijk eenvoudig gebruikt als een roepstem of voor eenig ander doel, zouden kunnen zijn verbeterd tot een welluidenden liefdezang. Dit is iets moeilijker in het geval van de gewijzigde vederen, waardoor de trommelende, fluitende of bulderende geluiden worden voortgebracht. Wij hebben echter gezien, dat sommige vogels gedurende hun vrijage hun ongewijzigde vederen doen fladderen, schudden of tegen elkander doen ratelen; en indien de wijfjes er toe kwamen hen die dit het best deden, voor de paring uit te kiezen, zouden de mannetjes die op een of ander deel van het lichaam de sterkste of dikste, of het spitst toeloopende vederen bezaten, het best slagen; en zoo zouden door langzame overgangstrappen de vederen in bijna elken graad kunnen zijn gewijzigd. De wijfjes zouden natuurlijk niet elke geringe opeenvolgende verandering van vorm, maar alleen de daardoor voortgebrachte geluiden opmerken. Het is een merkwaardig feit, dat, in de zelfde Klasse van dieren, geluiden zoo verschillend als het getrommel van den staart van de snip, het getik van den snavel van den specht, het krijschende, op het geluid van een trompet gelijkende geschreeuw van sommige watervogels, het gekir van de tortelduif en het gezang van den nachtegaal alleen aan de wijfjes van de onderscheidene soorten zou behagen. Wij moeten echter den smaak van verschillende soorten niet naar den zelfden maatstaf afmeten, en ook niet afmeten naar den maatstaf van den mensch. Zelfs bij den mensch moeten wij bedenken, welke wanluidende tonen, het slaan op tamtams en de schrille noten van rietfluitjes, aan de ooren van wilden behagen. Sir S. Baker merkt op57, dat „evenals de maag van een Arabier de voorkeur geeft aan het rauwe vleesch en de dampende lever, van het nog warme dier afgesneden, zijn oor ook aan zijn even ruwe wanluidende muziek boven elke andere de voorkeur geeft.”