Note 60 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Versiering.—Ik zal eerst de gevallen bespreken, waarin de mannetjes hetzij uitsluitend of in veel hooger mate zijn versierd dan de wijfjes; en in een volgend hoofdstuk die waarin beide seksen evenzeer zijn versierd, en eindelijk de zeldzame gevallen waarin het wijfje iets levendiger is gekleurd dan het mannetje. Evenals bij de kunstmatige versierselen die door wilde en beschaafde menschen worden gebruikt, aan het hoofd, zoo is ook bij de natuurlijke versierselen der vogels de kop de hoofdzetel van de versiering.60 In de versierselen heerscht, gelijk in het begin van dit hoofdstuk is vermeld, een verwonderlijke verscheidenheid. De siervederen van het voorhoofd of de achterzijde van het hoofd bestaan uit vederen van verschillenden vorm, die soms kunnen worden ten toon gesteld. Nu en dan komen sierlijke vederbossen aan de ooren voor (Fig. 39). De kop is soms bedekt met fluweelachtig dons, gelijk die van den fazant, of hij is naakt en levendig gekleurd of hij draagt vleeschachtige aanhangsels, draden of met uit vaste stof gevormde knobbels. Ook de keel is soms met een baard of met vleeschlappen of lellen voorzien. Dergelijke aanhangsels zijn over het algemeen levendig gekleurd en dienen ongetwijfeld tot versiering, al verhoogen zij in onze oogen niet altijd de schoonheid; want, terwijl het mannetje bezig is met het wijfje het hof te maken, zwellen zij dikwijls op en verkrijgen levendiger kleuren, gelijk in het geval van den kalkoenschen haan. Op zulke tijden zwellen de vleeschachtige aanhangsels aan den kop van den mannelijken Tragopan-fazant (Ceriornis Temminckii) op tot een groote strook aan de keel en tot twee horens, een aan elke zijde van de prachtige kuif; en deze bezitten dan de levendigste blauwe kleur die ik ooit heb gezien. De Afrikaansche Neushorenvogel (Buccros Abyssinicus) blaast den scharlakenrooden, op een blaas gelijkenden vleeschlap aan zijn hals op, en zijn vleugels omlaag houdende en zijn staart uitspreidende, „maakt hij wezenlijk een voornaam figuur.”61 Zelfs het regenboogvlies (iris) van het oog is soms bij het mannetje levendiger gekleurd dan bij het wijfje; en dit is veelvuldig het geval met den snavel, bij voorbeeld bij onze gewone merel of zwarte lijster. Bij een andere soort van Neushorenvogel (Buceros corrugatus) zijn de geheele snavel en de verbazend groote helm bij het mannetje opzichtiger gekleurd dan bij het wijfje, en „de schuinsche groeven op de zijden van de onderkaak zijn uitsluitend aan het mannetje eigen.”62