VOORBERICHT.
Reading edition
Op den 24sten September van het jaar 1874, bij gelegenheid der 47ste Vergadering van Duitsche natuuronderzoekers en artsen te Gratz ving Dr. Ferdinand Cohn, Hoogleeraar aan de Universiteit te Breslau zijn redevoering „Over de onzichtbare vijanden in de lucht” aan met de volgende woorden:
„Wanneer in het volgend jaar de Vereeniging van Duitsche natuuronderzoekers weder in Gratz bijeenkomt, zal het juist tweehonderd jaren geleden zijn, dat het door vergrootglazen gescherpt oog van Antony van Leeuwenhoek voor het eerst de aanschouwing van een wereld vergund werd, die niet alleen de aarde en het water, maar het geheele luchtruim met een onzichtbaar leven vervult.”
Toen het nu uit eene correspondentie van Prof. Cohn met een mijner vrienden, over den juisten datum waarop Leeuwenhoek deze groote ontdekking gedaan had, gebleken was, dat de herinnering aan de ontdekking der infusoriën van onzen beroemden landgenoot in een wetenschappelijken kring in Duitschland feestelijk zou herdacht worden, vond een der leden van de „Nederlandsche Dierkundige vereeniging” zich daardoor opgewekt, in de Vergadering van den 21sten Juni 1874 te Middelburg gehouden, op dit voornemen de aandacht te vestigen en werd naar aanleiding daarvan door hem de vraag gedaan, of Nederland daarbij mocht stilzitten en of ook bij ons deze Nederlandsche ontdekking niet gevierd behoorde te worden. Dit denkbeeld, al dadelijk toegejuicht, gaf aanleiding, dat in de volgende najaarsvergadering te Amsterdam gehouden, een voorstel met betrekking tot deze feestviering werd aangenomen en niet lang daarna eene uitnoodiging van wege het bestuur der Dierkundige Vereeniging, aan de verschillende geleerde Genootschappen in Nederland werd gericht, om tot verwezenlijking van dit plan mede te werken.
Deze uitnoodiging werd met sympathie ontvangen, en later afgevaardigden tot eene Vergadering te Amsterdam bijeengeroepen, alwaar dit plan tot eene feestelijke herdenking dezer groote ontdekking op den 8sten September 1875 vastgesteld en eene commissie tot regeling dezer feestviering benoemd werd.
Het was met het oog op dezen aanstaanden herinneringsdag aan de belangrijke ontdekking van Leeuwenhoek gewijd, dat het vroeger reeds bij mij gerezen voornemen, om een nieuwe uitgave van mijne „Levensbeschrijving van Antony van Leeuwenhoek”, die in het jaar 1871 in het Nederlandsch Tijdschrift voor geneeskunde was opgenomen, te bewerken en uittegeven, tot uitvoering kwam.
Het portret van Leeuwenhoek is gecopieerd naar het schoone en geloof ik eenige, in olieverf geschilderde, toebehoorende aan den WelEd. ZGel. Heer Dr. C. H. W. van Kaathoven te Leiden, die daartoe, met zijne bekende welwillendheid zijn toestemming gegeven heeft.
De gedenkpenning, afgebeeld in het bekende werk van Mr. Gerard van Loon „de Nederlandsche Historiepenningen,” is met de meeste getrouwheid daarnaar vervaardigd. Beide deze afbeeldingen zullen voorzeker den vereerders van Leeuwenhoek niet onwelkom zijn.
Nog enkele aanteekeningen, die ik aangaande Leeuwenhoek, sedert de eerste uitgave, in de gelegenheid was te verzamelen, zijn hier ingevoegd, waaronder vooral belangrijk zijn, de weinig bekende, mij eerst onlangs onder de aandacht gekomen bijzonderheden, omtrent Johan Ham van Arnhem, in de brieven van Leeuwenhoek vermeld als de ontdekker der spermatozoïden, in het jaar 1862 medegedeeld door Prof. H. I. Halbertsma, in de „Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde.”
Ten slotte acht ik het niet onnoodig melding te maken van een verschil dat er bestaat omtrent de maand van het jaar 1675, waarin Leeuwenhoek de infusoriën in regen- en andere wateren heeft waargenomen en welk verschil Prof. Cohn aanleiding gaf, na mijne levensbeschrijving van Leeuwenhoek gelezen te hebben, nadere opheldering daaromtrent te vragen.
In Duitschland namelijk heeft men, op gezag van Prof. C. G. Ehrenberg te Berlijn, deze datum in April gesteld, en in navolging van dezen geleerde hebben alle schrijvers, die over dit onderwerp gehandeld hebben, deze tijdsbepaling van de ontdekking der infusoriën door Leeuwenhoek overgenomen.
Genoemde geleerde had namelijk in zijn brochure „die Infusionsthierchen als vollendete Organismen”, 1838 p. 528 geschreven, dat Leeuwenhoek de „Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische Aufgussthierchen” in April 1675 gemaakt had, terwijl die in 1677 door de Royal Society te Londen is medegedeeld geworden.
Toen ik nu onlangs de eer had, op verzoek van Prof. Ehrenberg, een exemplaar van mijne brochure over Leeuwenhoek aan hem toe te zenden en hij mij later een afdruk toegezonden had van het „Sitzungs-Bericht der Gesellschaft naturforschende Freunde zu Berlin, März 1875,” las ik daarin op pag. 53 het volgende:
„Herr Ehrenberg erinnerte daran, dass Leeuwenhoek seine folgenreiche Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische Aufgussthierchen im April 1675 gemacht und 1677 der Londoner Society of Sciences mitgetheilt habe, und das diese von ihm selbst später noch vielfach erweiterte Entdeckung in diesem Jahre ihre 200 jährige Weihe erhalte, so dass die Aprilsitzung dieser Gesellschaft geeignet sei, dies speciell auszusprechen.”
Ik was toen dadelijk er op bedacht de aandacht van Prof. Ehrenberg te vestigen op eene dwaling waarin hij verkeerde, namelijk, dat de maand van het jaar 1675 waarin Leeuwenhoek de diertjes in regenwater enz. waarnam, niet de door hem genoemde, maar „half September” was; en dat deze naar mijne meening juistere tijdsbepaling volgde uit de bewoordingen, vervat in een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan Constantijn Huygens d.d. 7 November 1676, berustende in de verzameling manuscripten der Leidsche Hoogeschool, van welken brief benevens van alle door Leeuwenhoek aan andere geleerden geschreven en in die verzameling voorkomende, ik door de zorg van Dr. du Rieu, conservator der manuscripten aan genoemde Akademie, afschriften mocht bekomen. Daar nu deze brief niet gevonden wordt, noch in de Latijnsche, noch in de Hollandsche verzameling van de brieven van Leeuwenhoek in 5 deelen in 4o. welke met den 28sten brief aanvangt, en wel van 1679, en deze brief aan Constantijn Huygens van 7 November 1676 gedateerd is, zoo kon Prof. Ehrenberg daarvan geen kennis dragen en berustte zijne opvatting, als zou deze ontdekking in April 1675 zijn gedaan, op eene onnauwkeurigheid of onduidelijkheid in den text van de Philos. Transactions Vol. X p. 821, waaruit Ehrenberg genoemden datum van April zou kunnen ontleend hebben.
Eenigen tijd daarna ontving ik een schrijven van Prof. Ehrenberg, in antwoord op mijn brief, waarin hij mij berichtte, dat hij door mijne mededeeling in eene voor hem nog niet te verklaren tegenstrijdigheid met het geprojecteerde Jubilé van Leeuwenhoek geraakt was; dat hij op zijn hoogen leeftijd en om de moeilijkheid aan de nasporing der oorspronkelijke bronnen verbonden bezwaarlijk dit verschil kon oplossen, waarom hij mij verzocht dit onderzoek voor hem te willen bewerkstelligen.
Ik heb aan dit verlangen van den grijzen geleerde volgaarne voldaan en hem medegedeeld, dat de door hem genoemden datum van April 1675 op eene, voor hem echter begrijpelijke, dwaling berustte, doordien hij, niet bekend zijnde met den brief aan Huygens, het verband niet kon opmerken, dat er bestond, tusschen dezen brief en de mededeeling in de Phil. Transactions van 25 Maart 1677, waaruit Prof. Ehrenberg zijn datum ontleend had.
Deze brief van Leeuwenhoek aan de Royal Society, gedateerd 9 October 1676 begint aldus:
„In the year 1675 I discover’d living creatures in Rain water,” enz. en daarop volgen dan, als vervolg op den inhoud van dezen brief van 1676, eenige observaties, gedaan den 26, 30 en 31 Mei en 9 Juni, doch het jaartal staat er niet bij vermeld. Wanneer men nu de oorspronkelijke brief van Leeuwenhoek aan C. Huygens van 7 Nov. 1676 daarmede in verband brengt, dan wordt het duidelijk dat, òf in de Phil. Transact. het jaartal 1676 verzuimd is te drukken achter de datums van Mei en van 9 Juni, òf dat Leeuwenhoek die verzuimd heeft te schrijven, want de inhoud van dezen brief aan Huygens van 9 Juni, komt geheel overeen met dien in de Phil. Transact. van 9 Juni, behalve dat bij den laatsten geen jaartal vermeld wordt.
Genoemde brief aan Huygens begint aldus:
„Omtrent half September 1675 ontdekte ik in regenwater, dat eenige weinige dagen in den zon gestaan had, kleine diertjes” enz. en hij vervolgt, na de beschrijving der verschillende door hem waargenomen soorten aldus:
„Den 9 Juni 1676 heb ik in een porceleinen schotel het water zoo zuiver gevangen als mij doenlijk was en in een schoon rein glas gedaan.…. en na verloop van 24 uren daarin levende schepselen gezien”, terwijl in de Phil. Transact Vol X p. 823 staat: „June 9th.” (zonder Jaartal) „having received, early in the morning, some Rain water in a dish as before and poured it in to a very clean wine glass, and exposed it in to the air” enz.; en iets verder leest men in den brief aan Huygens „Op mijn plaats in de open lucht staat een put die omtrent 15 voet diep is”.…. „dit water is des zomers zoo koud, dat men er de hand niet lang in kan houden”.…. „In dit water heb ik een groote menigte zeer kleine dierkens ontdekt” enz. En in de Phil. Transactions p. 826 leest men: „In the open Court of my House I have a well, which is about 15 foot deep”.…. „This water is in Summertime so cold, that you cannot possibly endure your hand in it”.…… „Not thinking at all to meet with any living creatures in it, looking upon it in September of the last year” (dus 1675), „I discover’d in it a great number of living animals” enz.
Nu is het duidelijk, dat, als Leeuwenhoek aan Huygens schrijft, dat hij „half September 1675” die diertjes ontdekte en hij het vervolg van dit onderzoek op den 9 Juni 1676 mededeelt, de datum van die ontdekking onmogelijk April 1675 kan geweest zijn, maar dat in Leeuwenhoek’s brief in de Phil. Transactions, bij de vermelding van zijne Observaties in Mei en vervolgens, het jaartal 1676 verzuimd is te plaatsen. Hierdoor, schreef ik aan Prof. Ehrenberg, is het duidelijk, dat de verwarring, door dit verzuim in de Phil. Transact. ontstaan is en zijne opvatting, als zoude de vermelde datums van Mei, Juni enz. op het jaar 1675 en niet op 1676 waarin de brief van Leeuwenhoek geschreven is, slaan, verklaarbaar is.
Ik meende deze wederlegging van een schrijver van zoo groote autoriteit als Prof. Ehrenberg, eenigszins uitvoerig te moeten behandelen, ten einde eene dwaling voor goed uittemaken, waarin opvolgende schrijvers, op het voetspoor van dezen geleerde, geraakt waren; deze uitweiding hier ter plaatse moge daarom verschooning vinden.
Overigens hoop ik dat, nu mijne Levensbeschrijving van Leeuwenhoek in anderen en beteren vorm, in een wijderen kring zal worden verspreid, op een gunstig onthaal en een welwillend oordeel.
Rotterdam, Augustus 1875.
P. J. HAAXMAN.
[
Inhoud
]
Hoewel in onderscheidene geschriften van vroeger en later tijd, waarin de belangrijke ontdekkingen van onzen beroemden landgenoot Antony van Leeuwenhoek besproken worden, een kort levensbericht van hem gevonden wordt, toch mist men daarin bijzonderheden die men alleen door een opzettelijk onderzoek van den belangrijken en rijken inhoud zijner brieven, die slechts door enkele schrijvers voor bijzondere doeleinden zijn onderzocht geworden, kan te weten komen. Men vindt er veel in opgeteekend, dat een helder licht verspreidt over zijn karakter en persoonlijkheid, waardoor alleen een juister beeld van dien natuuronderzoeker kan geschetst worden.
En verdient iemand de moeite eener meer nauwgezette studie, dan is het zeker de man, die als nederig burger van Delft, hoewel door zijne stad- en landgenooten in zijn leven niet naar verdiensten gewaardeerd, door de grootste geleerden der beschaafde wereld van zijn tijd, met eer en roem en bovenal met groote achting werd vermeld. Vorsten en hooggeplaatsten rekenden het zich tot eene eere hem te zien en zijne waarnemingen met het microscoop te bewonderen; zijn roem was zoo ver doorgedrongen, dat zelfs uit Engeland, Frankrijk, Duitschland, Italië, België en Spanje vorsten, en geleerden zijne nederige woning opzochten, om persoonlijk den man te leeren kennen, die de geheimen der natuur door zijn, in dien tijd, onnavolgbare microscopen voor het oog had blootgelegd, en beschouwingen en theoriën daarop gebouwd, over de gewichtigste vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en planten, ter overweging had gegeven. De geleerdste natuuronderzoekers en philosophen van dien en lateren tijd vonden daarin stof voor de diepzinnigste bespiegelingen en de gewichtigste nasporingen, en op den grond door hem gelegd, werden later stelsels gebouwd die nog als waar en deugdelijk zijn aangenomen. Door zijne talrijke microscopische onderzoekingen, heeft hij den weg gebaand tot de kennis van het samenstel der meest verschillende deelen van het dierlijk lichaam en van de planten. Leeuwenhoek wees alzoo reeds vóór twee eeuwen den weg aan, die nog in onze dagen betreden wordt en waarop nog zoo vele belangrijke nasporingen en ontdekkingen gedaan worden.
Leeuwenhoek, hoewel hij eene voor den tijd waarin hij leefde zorgvuldige opvoeding genoten had, behoorde niet tot den, wat men noemt, geleerden stand. Hij was niet bestemd geworden om door eene Academische opleiding eenmaal een rang onder de geleerden in te nemen, daar hij de kennis der Latijnsche taal miste, die nog tegenwoordig van zeer groot belang gerekend voor eene degelijke wetenschappelijke ontwikkeling, zeker in het midden der XVIIde tot het begin der XVIIIde eeuw, een eerste vereischte was om in eenigen tak van wetenschap ervaren te worden en welke taal niet uitsluitend het eigendom der geleerden van dien tijd was, maar in het algemeen tot eene beschaafde opvoeding behoorde. En wat meer is, Leeuwenhoek was zelfs onbekend met de levende vreemde talen, zoodat hij genoodzaakt was zijne brieven, die voor het grootste gedeelte aan de „Royal Society” te Londen gericht waren, door anderen eerst in het Latijn te laten vertalen, waarna zij daaruit in het Engelsch werden overgezet; zoo als wij straks gelegenheid zullen vinden meer bepaald aan te wijzen.
Niettegenstaande deze ongunstige verhouding, waardoor hij zoo zeer achter stond bij zijne geleerde tijdgenooten, zien wij in hem gaven ontwikkelen, die de bewondering van half Europa opwekten, door hem onderzoekingen ten uitvoer brengen, die krachtig bijgedragen hebben om den roem van ons vaderland op wetenschappelijk gebied te handhaven, en die belangrijke diensten bewezen hebben aan de natuurkundige wetenschappen. Nog wordt van Leeuwenhoek gesproken, als van den „vader der micrographie” en zijn naam genoemd tegelijk met mannen als Fallopius, Eustachius, Harvey, Colonna, Boerhaave, Swammerdam, de Graaf, Ruisch, en andere beroemde geleerden der 16de, 17de en 18de eeuw.
Deze buitengewone man nu, begaafd met eene groote scherpzinnigheid, helder oog, gezond verstand, taai geduld en eenvoudig godvruchtig gemoed, deed zich, zoo als uit zijne brieven blijkt, als een achtingswaardig Hollandsch burger kennen. Hij was in zijn gedrag en schrijfstijl de meer eenvoudige zeden van zijn tijd tot eer en werd om zijne beproefde kunde zeer dikwijls door vele, geringe, zoowel als aanzienlijke stadgenooten, geraadpleegd.
Wanneer wij nu nagaan dat onze Leeuwenhoek, gedurende bijna eene halve eeuw onafgebroken, bewerktuigde en onbewerktuigde stoffen, vaste en vloeibare zelfstandigheden, dieren en planten en zelfs de laagst georganiseerde wezens met zijne voor dien tijd voortreffelijke en toch zoo eenvoudige microscopen onderzocht, en wij hem de meest onverwachte ontdekkingen zien doen, die het verrassendst licht verspreidden over de belangrijkste verschijnselen van het leven, dan kunnen wij onze bewondering voor zulk een talent, niet weêrhouden. Al is het dat hij door zijne gelukkige en schitterende ontdekkingen en door den lof, die hem van alle kanten door de aanzienlijksten en geleerdsten werd gebracht, wel eens in zijne ijdelheid werd gestreeld en eene eenmaal opgevatte meening niet gemakkelijk varen liet, ja zelfs soms met hardnekkigheid tegen de krachtigste argumenten bleef staande houden, al moet erkend worden dat hij soms, door zijne verbeelding en de begeerte om gedurig nieuwe ontdekkingen te doen, medegesleept, dingen meende waar te nemen, die reeds in zijn leven op deugdelijke gronden in twijfel werden getrokken en die ook in lateren tijd als onjuist en onwaar zijn aangewezen; dit alles kan gerust worden afgetrokken van de som zijner talrijke ontdekkingen en er blijft nog genoeg over om hem met eerbied aan te staren.
En heeft nu deze merkwaardige man, van wien het nageslacht met zooveel eerbied spreekt, die de achting genoot van de grootste geleerden en beroemdste denkers van zijn tijd, die van vorsten en hooge staatspersonen talrijke bewijzen van onderscheiding en vriendschap genoot, ook van zijne landgenooten, vooral van het Bestuur van ons land, de bewijzen ontvangen, dat het ware verdiensten op prijs stelde? Wij aarzelen niet, uit hetgeen wij daaromtrent vinden aangeteekend, zulks ontkennend te beantwoorden, daar het bekend is, dat hij als stil burger van Delft geleefd heeft en gestorven is en tot op hoogen leeftijd in eene ondergeschikte ambtelijke, zij het dan ook in eene voor dien tijd niet onvoordeelige, maar toch nederige maatschappelijke betrekking werkzaam was.
Dat hij zelf gevoelde, dat men zijne diensten niet beloond had, zoo als hij billijkerwijze had mogen verwachten, kan blijken uit de bewoordingen in een brief aan G. C. Leibnitz gericht, toen hij reeds 84 jaren oud en dus aan den avond van zijn leven genaderd was.
Maar het wordt tijd dat wij, eer verder in de bijzonderheden van zijn lang en roemvol leven te treden, onze aandacht op den persoon van Leeuwenhoek vestigen en hem eenigszins nader leeren kennen.
Leeuwenhoek had reeds in zijn vroege jeugd zijn vader door den dood verloren. Hij werd door zijne moeder te Warmond ter school besteld, alwaar hij zijn eerste onderwijs ontving; en daar hij bestemd scheen om in den ambtelijken administratieven stand te worden opgeleid en een oom van hem, die Secretaris en Procureur te Benthuizen was, in die betrekking op te volgen, zoo werd hij vervolgens, na voltooid elementair onderwijs, daarheen gebracht, ten einde zich verder voor zijn aanstaande betrekking bekwaam te maken en voor te bereiden.
Ik haal deze voorbeelden, die met nog vele anderen zouden kunnen vermeerderd worden slechts aan, om te doen uitkomen, dat Leeuwenhoek, hij moge dan al niet tot den geleerden stand behoord en vooral geen geleerde opvoeding genoten hebben, toch niet zoo onontwikkeld was als doorgaans vele schrijvers vermelden.
Hoe lang hij in deze betrekking te Amsterdam gebleven is, kan uit de berichten van dien tijd niet opgemaakt worden. Boitet, die hier onze eenige leidsman is, spreekt van „eenige jaren”, waarna hij weder naar Delft terug keerde; en daar hij, altijd volgens denzelfden schrijver, kort daarna in het huwelijk trad en dit huwelijk, blijkens mijn familie-register, in het jaar 1654 plaats had, zoo kan daaruit met genoegzame zekerheid worden opgemaakt, dat dit niet langer dan 5 à 6 jaren kan geweest zijn. In die jaren nu moet bij Leeuwenhoek langzamerhand de lust tot natuuronderzoek zijn voorbereid en ontwikkeld geworden; en hoewel hij de plichten, aan zijne maatschappelijke betrekking verbonden, zeker niet zal veronachtzaamd hebben, zoo kan men aannemen, dat de beschaving van zijn geest en het onderzoeken van hetgeen hem omringde en zijn aandacht wekte, hem zijn vrijen tijd nuttig heeft doen doorbrengen.
Ik waag het ten slotte nog ééne meening te uiten, die ik vermeen niet zoo geheel zonder grond te zijn, ter verklaring van den bij hem opgewekten lust tot het onderzoeken en bestudeeren van insecten en andere voorwerpen door het microscoop. Zij is deze: Johannes Swammerdam, over wien ik later meerdere bijzonderheden zal mededeelen, was een tijdgenoot en (blijkens de noot op bl. 26) een bijzondere kennis van Leeuwenhoek, daar hij in 1637 te Amsterdam geboren werd en dus slechts weinige jaren jonger was dan hij; de vader nu van Swammerdam was Apotheker te Amsterdam en bezat een uitgebreide en toen reeds algemeen beroemde en bekende groote verzameling van voorwerpen uit de natuurlijke historie, en andere curiositeiten die hij had bijeengebracht. Johannes Swammerdam had, van der jeugd af, een groote voorliefde voor de natuurlijke geschiedenis aan den dag gelegd en bijzonder voor die der insecten, welken lust hij ruimschoots bevredigen kon door het dagelijksch beschouwen van de voorwerpen in het kabinet zijns vaders, dat hij, volgens zijn levensbeschrijver Boerhaave, in orde hield en rangschikte. Wat is nu natuurlijker, dan dat Leeuwenhoek, tijdens zijn verblijf te Amsterdam, bij dien Apotheker toegang zal gehad hebben, aldaar de lust voor natuurstudie in het beschouwen der insecten enz. zal hebben voelen opgewekt en kennis gemaakt hebben met een instrument, waarmede hij later zooveel ten uitvoer bracht. Deze onderstelling dunkt mij is alleszins aannemelijk en geenszins ongegrond.
Intusschen stond hem aanvankelijk en ook later, zeker het gebrekkige zijner letterkundige ontwikkeling in den weg om dieper door te dringen in hetgeen vooral door buitenlandsche geleerden onderzocht en geschreven was; maar, door eigen oefening en studie, trachtte hij zich zelven eigen te maken, wat hem in zijne ontwikkeling in den weg stond.
Ik stem ten volle in met hetgeen Émile Blanchard, in zijn artikel in de „Revue des deux mondes” (pag. 407) zegt, waar hij van de groote gaven van Leeuwenhoek bij weinige wetenschappelijke ontwikkeling gewaagt: „Alors l’âme est pénétrée d’un regret; on voudrait voir Leeuwenhoek pourvu des connaissances générales qui permettraient à cet esprit ingénieux de s’élever à quelques hautes conceptions. Avec une forte instruction, Leeuwenhoek en effet aurait sans doute mérité d’être compté au nombre des génies dont s’honore l’humanité.”
Bij al de bovengenoemde kundigheden, die Leeuwenhoek zich door eigen studie had verworven, schijnt hij zich ook nog in de Scheikunde geoefend en zich daarmede bezig gehouden te hebben. Ook hieromtrent bericht ons Boitet, „dat hij zich zoo ver in de Scheikunst geoefend had, dat hij uit ruw erts goud en zilver wist te scheiden, waarvan er bij zijn in leven zijnde dochter verscheydene gedenkstukken voorhanden waren.”
„Ik heb tot nu toe het antwoord op uwe laatste uitgesteld, omdat ik u nog geen bericht kon geven van Mijnheer Leeuwenhoek, doch ik bezocht hem voorleden week uit uw naam. Hij vertoonde mij vele zaken door zijne microscopen, welke onnoodig is hier te vermelden, daar hij zelf u de beschrijving daarvan uitvoerig heeft medegedeeld. Wat zijn microscopen zelf aangaat, zoo waren allen, die hij mij liet zien, ten getale van minstens een dozijn, van ééne soort, bestaande elk uit een klein glas geslepen („„Ik vermeld dit, omdat men algemeen gelooft, dat de glazen voor zijn microscopen met de lamp geblazen zijn; die geenen, die ik zag, kan ik verzekeren dat niet geblazen zijn””), geplaatst tusschen twee dunne platte koperen plaatjes, omtrent één duim breed en anderhalven duim lang. In deze twee openingen, één voor en één achter het glas, welke grooter of kleiner waren, naarmate het glas meerder of minder convex was, of dat het vergrootte. Vlak over deze opening was aan de eene zijde nu eens eene naald aangebracht, dan weder een dun plat plaatje van glas of doorschijnende stof, waarop hij, al naar het noodig was, of op de punt, het voorwerp dat hij wilde bezien, vastmaakte, daarop het naar het licht keerde en nu door middel van twee kleine schroefjes het voorwerp juist in den focus van zijn glas lichtte, waarna hij dan zijn waarnemingen bewerkstelligde. Zoodanige waren de microscopen die ik zag en deze vertoont hij aan de nieuwsgierigen die hem komen bezoeken; maar behalve deze, vertelde hij mij, had hij nog eene andere soort, door welke geen levende ziel, behalve hij zelf zag; deze soort bewaart hij geheel voor zijn eigen waarnemingen en hij verzekerde mij, dat zij diegene, die hij mij had laten zien, verre overtroffen; doch hij wilde mij niet toestaan ze te zien, dus al wat ik kan doen is eenvoudig te gelooven, want ik heb er geen ondervinding van”.
Hij trad kort daarna, namelijk den 26sten Juli 1654, in het huwelijk met mejufvrouw Barbara de Mey dochter van Elias de Mey en Maria Viruly. Zij was geboren den 13den December 1629 en was alzoo 25 jaren oud toen zij met Leeuwenhoek huwde. Uit dit huwelijk werden hem vijf kinderen geboren, en wel drie zonen en twee dochters, waarvan hij er slechts één over hield, daar de overige hem door den dood ontnomen werden. Deze overgeblevene was zijne dochter Maria, die ongehuwd bleef en haar vader tot in zijn hoogen ouderdom en op zijn sterfbed verzorgde.
Intusschen werd hij door het Bestuur van Delft met eene betrekking begiftigd, die hem een voor dien tijd niet onaanzienlijk inkomen verschafte, terwijl de diensten, daaraan verbonden, gering waren, zoodat hij genoegzamen vrijen tijd overhield om zich aan zijn geliefkoosde studiën en onderzoekingen te kunnen wijden. Deze post bestond in de betrekking van „Kamerbewaarder der Kamer van Heeren Schepenen van Delft”, eene bediening, volgens van Haastert, in vroegere dagen waardig genoeg aan den deftigen burgerstand. Deze betrekking werd hem den 26sten Maart 1660, dus toen hij 28 jaren oud was, gegeven. Hij vervulde deze betrekking gedurende 39 jaren, namelijk tot aan het jaar 1699, doch behield het salaris daaraan verbonden tot aan zijn dood.
Tengevolge mijner nasporingen omtrent den aard dezer betrekking en andere bijzonderheden daaromtrent in het werk gesteld, zijn mij door den oud Archivaris en Secretaris van Delft Mr. J. Soutendam, uit het Archief een paar afschriften verschaft, die ik niet onbelangrijk acht hier mede te deelen. Een dezer extracten luidt aldus:
3de Memoriaal van H.H. Burgemeesteren van Delft, fol. 365.
„Den 26sten Maart 1660 is Antony Leeuwenhoek, in plaats van Jan Strick, tot Camerbewaarder gestelt, op gelijke gagie, baten ende emolumenten.” Zijne Commissie luidt als volgt: (fol. 364 en 365 ibid. „Mijnen Heeren Burgemeesteren ende Regeerders der stad Delft hebben gestelt ende committeeren bij desen, Antony Leeuwenhoek tot het waarnemen van de Camer, daer de H.H. Schout, Schepens ende die van de wet deser Stadt vergaderen, om de voorz. Camer te openen ende te sluyten, soo op ordinaris als extraordinaris vergaderingen van de voorn. Heeren, op soodanige wijsen, als des vereyscht ende nodig sal wesen; item deselve Heeren te betonen alle respect, eere ende reverentie ende naerstelyck te agtervolgen ende getrouwelyck te effectueren alle diensten, die hem sullen werden belast, ende secreet te houden ’t gunt hij in de Camer soude mogen hooren; de voorz. Camer pertinentelyck te reynigen ende schoon te houden, ’t vuyr, soo wanneer den tijd sulcx sal vereyschen, op syn bequamen tijd aan te leggen ende de koolen, die ongeconsumeert soude moge wesen, tot syn profyt wel te bewaren, dat geen ongeluk daar van ofte van het Ligt van de kaarsen en geschiedde ende sal voorts alles doen dat een goet ende getrouw Camerbewaarder schuldig is te doen ende behoort. Voor welcken dienst de voorz. Antony Loeuwenhoek sal genieten soodanigen gagie, bate ende emolumenten als voorn. Jan Strick saliger syn voorzaat in dienste heeft genoten, ende sal desselfs dienst ingaan metten 24 January 1660 ende syn gagie betaalt werden op soodanige termynen, als die aan den voorz. Strick betaalt syn geweest. Actum bij al de Burgmeesteren collegialiter vergadert den 26sten Maart 1660 ende geteekent bij den Pensionaris J. Camerling.”
Het salaris aan dezen post verbonden wordt opgegeven in de „Thesauriers-rekening” van Delft van 1661 fol. 113 en 114: „Antony Leeuwenhoek, Camerbewaarder van de Raatcamer twee hondert ’t sestich gl. over één jaar wedde, verschenen den 24sten January 1661, dus: ijc lxgl.” „Den selven voor het schoonmaeken van de Schepenen-, Vroetschap- ende Schutterskamer; Item voor de behoeften die hij daer toe van nooden heeft, de somma van liiij gl. Alzoo te samen een tractement van ƒ 314.” De „Stads-secretaris,” zoo schrijft mij Mr. Soutendam, ontving te dien tijde, behalve het „tabbertlaken of stedekleeding” en den „vrijdom van Stads-accijns ƒ 800 ’s jaars.” Het baantje was ook (altijd volgens Mr. Soutendam), niets minder eervol, dan dat van Kamerheer aan ’t Hof, „mutatis mutandis;” natuurlijk zal Leeuwenhoek het vuile werk wel door een bode of bediende hebben laten waarnemen.
Er is verder in het Archief niets gevonden, waaruit kan blijken of Leeuwenhoek om deze betrekking gevraagd heeft. Waarschijnlijk zal een zijner vrienden, in de Regeering zittende, hem die wel bezorgd hebben. In die dagen was alles „correspondentie” van ’t hoogste ambt tot het minste toe.
Behalve deze betrekking van Camerbewaarder, schijnt hem nog een andere te zijn opgedragen blijkens een afschrift uit het „15de Memoriaal van Burgemeesteren van Delft” fol. 118 en 119 als volgt:
„Mortificatie van het generaal-wijkmeesterschap, d.d. 23 December 1711, nadat Antony Leeuwenhoek, die dese betrekking tegen een tractement van ƒ 50 ’s jaars bekleedde, sal sijn overleden.” Het blijkt echter niet, wanneer hij deze sinecure gekregen heeft.
Verder vindt men in hetzelfde: „Memoriaal”, fol. 206 en 207. „Resolutie ter verbetering van Stads-finantie, d.d. 30 December 1718”: „Dat na overlijden van Antony Leeuwenhoek en Arnold Ramp, de kamerbewaarder van Schepenen-kamer voortaan niet meer sal toegelegt worden als ƒ 300”. Hieruit blijkt dus, dat Leeuwenhoek nog tractement ontving, ofschoon hij reeds een opvolger of hulp had. De „Thesauriers-rekening” van 1699 geeft hiervan opheldering; daaruit blijkt, dat Leeuwenhoek, als Camerbewaarder der Raat-camer enz., over een jaarwedde, verschenen October 1699, ontving.… „iiijc gl.” „Den selven, of nu Arnold Ramp, voor ’t schoonmaken van Schepens-camer enz.… Liiij gl.”
Hij behield dus ’t tractement van „Camerbewaarder” en van „generaal-wijkmeester” (twee sinecures) tot aan zijn dood en betaalde ƒ 54 aan Arnold Ramp. Het is echter niet kunnen blijken, wanneer dit salaris tot ƒ 400 verhoogd werd.
Van het jaar 1654 af, vermoedelijk het jaar dat hij zich voor goed in Delft met der woon vestigde, tot het jaar 1673 toe, het jaar waarin het eerst microscopische waarnemingen van Leeuwenhoek door bemiddeling van Dr. Reinier de Graaf, aan de „Royal Society” te Londen werden medegedeeld, en zijn naam alzoo in het buitenland en spoedig daarna overal algemeen bekend is geworden, vinden wij niets omtrent hem aangeteekend. Er was dus een tijdvak van 19 jaren, dat men een tijdvak van voorbereiding kan noemen, waarin hij zich voldoende kon oefenen, zoowel in het aanleeren als verder volmaken van de kunst om de lenzen, die hij voor zijne microscopen gebruikte en die wij zullen zien dat hij zelf vervaardigde, zoodanig te slijpen en te polijsten, dat zij de bewondering van kenners en geleerden, opwekten. Men trachtte op allerlei wijzen achter zijn geheim te komen, hetgeen hij echter zorgvuldig voor zich zelven hield. Hij zal zich overigens gedurende dien tijd vlijtig hebben geoefend in het beschouwen van de voorwerpen, die zijne aandacht wekten.
„Alle dese figuren syn door een en hetselve vergrootglas geteykent, die de Teykenaar soo groot heeft geteykent als hy die quam te sien: dog wanneer ik die na myn oog soude uytbeelden, soude ik die veel grooter uytbeelden.”
„Dit gesien hebbende, heb ik myn selven soo verre geoefent, dat ik sedert veel jaren myn gereetschap hebbe gemaakt, hetwelke ik in verscheide saken hebbe van node gehad. En dus is het, dat hetgeene dat ik tot myn gebruik van node hebbe, alleen maar uyt den rouwe by my gemaakt werd.”
Hieruit en uit vele andere bijzonderheden blijkt, dat hij overal opmerkte of er iets voor hem te leeren viel en dan maar handen aan het werk sloeg totdat hij eindelijk zijn doel bereikte. Vooral maakte hij al zijn beschikbaren tijd zich ten nutte voor de volmaking van een instrument, waarmede hij later zulke groote ontdekkingen gedaan heeft. De slijping en polijsting zijner glazen zal hem wel het meest inspanning en tijd gekost hebben en wij zouden zoo gaarne weten wie hem daartoe den weg gewezen heeft. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het slijpen zelf aanvankelijk bij een glasslijper afgezien, zooals zoovele andere zaken, en dat daarvoor, tijdens hij nog in Amsterdam woonde, waar het slijpen van diamanten toen reeds tot een hoogen trap van volkomenheid gebracht was, wel gelegenheid zal hebben bestaan, mag men veilig aannemen.
„Was die geblasenen Gläser anbelangt, versiecherte Herr Leuwenhoek, dasz er durch zehen-jähriges speculiren es dahin gebracht, dasz er eine taugliche Art blasen gelernt, welche aber nicht rund wáren. Mein Bruder wolte solches nicht glauben, sondern hielte es für Holländisch gejokt, indem es unmöglich ist, in Blasen etwas anders als ein Kugel oder Endung zu formiren.” Men ziet het, wat anderen onmogelijk voorkwam, kon Leeuwenhoek bereiken door zijn onvermoeide werkzaamheid, hij liet zich door geen moeielijkheden afbrengen van zijn eenmaal opgevatte voornemens, waar het hem te doen was om iets te leeren; nimmer verloor hij den moed, al moest hij aanvankelijk met groote bezwaren kampen, maar hij hield zoo lang vol totdat hij, zoo als hij gedurig eigenaardig uitdrukt „zich zelven kon bevredigen.”
De waarnemingen van Leeuwenhoek, waarvan hij in zijn brief gewag maakte, werden in de „Philosophical Transactions,” Vol. VIII, pag. 6037, opgenomen, onder den titel „A specimen of some observations made by a Microscope contrived by Mr. Leeuwenhoek, Concerning Mould upon the skin, flesh etc; the Sting of a Bee, etc., lately communicated by Dr. Regnerus de Graaf.”
Deze waarnemingen van den Hollandschen natuuronderzoeker werden door de leden der Koninklijke Sociëteit met groote belangstelling ontvangen en men sprak de hoop uit, dat hij ze weldra door meer anderen zou doen achtervolgen. Deze waardeering en uitnoodiging was inderdaad eene krachtige aanmoediging voor een tot nog toe vergeten, maar onderzoeklievenden waarnemer, wiens nasporingen alleen nog maar de nieuwsgierigheid zijner vrienden en bekenden, nauwlijks in staat om er den wijden omvang van te begrijpen en te waardeeren, hadden opgewekt. Van nu af waren het de geleerden en wel van de beroemde Engelsche Sociëteit, die zich met den arbeid van den eenvoudigen Delvenaar zouden bezig houden! Bemoedigende gedachte die zijn ijver aanspoorde en hem zijne pogingen deed verdubbelen om de verwachtingen, die men van hem koesterde, niet te beschamen.
Voor dat wij echter meer in bijzonderheden de onderzoekingen van Leeuwenhoek nagaan en zijne verdiensten in het licht stellen, willen wij kortelijk een blik slaan op de hoogte der kennis, waarop men ten tijde van Leeuwenhoek, met betrekking tot de vervaardiging van microscopen, stond. Daarna zullen wij de microscopen van Leeuwenhoek bespreken en zien wáárin deze uitmuntten boven anderen van dien tijd, waarbij wij genoegzaam gelegenheid zullen vinden om enkele bijzonderheden, hem zelven betreffende, te vermelden. Eindelijk kunnen wij onze aandacht onverdeeld wijden aan de belangrijkheid zijner ontdekkingen, welke, schoon vele er van groote tegenspraak moesten ondervinden en hem zelfs aan bespotting en beschimping blootstelden, echter door anderen hoog gewaardeerd en verdedigd werden, en waarvan sommigen zelfs nog in dezen tijd, als onomstootelijke waarheden worden erkend.
Een der eersten, die het enkelvoudig microscoop zoodanig inrichtte, dat het geschikt was voor wetenschappelijke nasporingen, was onze Leeuwenhoek.
Wij zagen boven, dat Dr. Reinier de Graaf in den brief, dien hij bij de toezending der eerste waarnemingen van Leeuwenhoek aan de „Royal Society” te Londen schreef, als eene bijzonderheid mededeelde „dat deze Leeuwenhoek onlangs microscopen gemaakt had, uitmuntende boven die tot hiertoe vervaardigd worden door Eustachio Divini.” Deze microscopen van Eustachio de Divinis nu waren in dien tijd zeer beroemd en worden beschreven in de „Philosophical Transactions” no. 42, pag. 842. Divini had, behalve de objectieflens, twee plano-convexe oogglazen zoodanig geplaatst, dat zij elkander in het midden hunner bolle oppervlakte raakten. Deze oogglazen waren ongeveer zoo breed als de handpalm eens mans, en de buis, waarin zij besloten waren, was zoo dik als een mans dij. Een vrij onhandig instrument alzoo, dat niet gemakkelijk in het gebruik moet zijn geweest en veel overeenkomst met een kleine mortier moet hebben gehad. Het was omstreeks 16½ duim lang; de verschillende vergrootingen werden verkregen door uittrekking tot verschillende lengte. De geringste vergrooting was van 41, de sterkste van 143maal in middellijn.
Het voornaamste, waardoor de microscopen van Leeuwenhoek uitmuntten boven die van anderen van zijn tijd, bestond in de kennis van het slijpen en polijsten zijner lenzen en in het stellen (monteeren) daarvan.
Men maakte destijds ook veel gebruik van gesmolten glazen bolletjes, omdat men niet best terecht kon met het slijpen der lenzen, en niemand ten tijde van Leeuwenhoek hem hierin op zijde schijnt gestreefd te hebben.
„Als wir Herr Leuwenhoek ferner fragten, ob er denn alle seine Gläser schlieffe und keine bliese? verneinte er solches, und bezeigte eine grosse Verachtung gegen diese geblasene Gläser” „Er wiese uns, wie dunn seine Microscopia gegen anderen wären, und wie nahe de laminae zwisschen welche das Glas ist, beysammen waren, so dasz kein sphärisch Glas dazwischen seyn könnte, sondern alle seine Gläser waren auf beyden Seiten convex geschliffen.” Daarenboven gebruikte Leeuwenhoek ook microscopen met dubbele glazen. „Er hatte auch einige Microscopia mit doppelten Gläsern die, ob sie gleich doppelt, und einwendig nach ihrer behörigen Distanz vermuthlich durch eine laminam separirt waren, demnoch nicht viel dicker als die einfachen waren.” Deze vergrootten, volgens Leeuwenhoek, een „weinig meer” dan zijn enkelvoudige microscopen.
Wij zijn alzoo genaderd tot het microscoop waarvan Leeuwenhoek zich bediende voor zijne onderzoekingen, en het is door alles wat wij daaromtrent hebben kunnen opsporen uitgemaakt, dat hij de glazen daartoe gebezigd zelf sleep en polijstte en dat deze niet uit gesmolten glasbolletjes bestonden maar uit een tot eene biconvexe lens geslepen helder glas.
Hij besteedde veel zorg aan het kiezen van het geschiktste soort van glas, en gebruikte ook gerold bergkristal. De zuiverheid en helderheid er van moet buitengemeen groot geweest zijn, hetgeen blijkt, zoowel uit de getuigenis zijner tijdgenooten, als uit vele der daarmede gedane waarnemingen van hemzelven.

Fig. 1.

Fig. 2 A.
Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop voor als bij van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben ik bekend geworden met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der Leidsche Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een officier van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder anderen een rood marokijnen étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet te Leiden is een microscoop van Leeuwenhoek afkomstig.
Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik mededeelen, dat ik in het jaar 1872 van den officier van gezondheid 1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, een schrijven heb ontvangen, mij meldende, dat hij in het bezit was van:
1o. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer brochure;
2o. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig. 3, pag. 36);
3o. Een loupe van Leeuwenhoek;
4o. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en eene lens nog niet in koper gevat, dus in het geheel zes.
Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door den Hoogleeraar de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader van den briefschrijver en later aan hem was present gedaan. Als eene bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui met eigenaardige krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool ten geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende voorwerpen kennelijk de bovenbeschrevene.
Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een microscoop aanwezig is.

Fig. 2 B.

Fig. 3.
Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden titel:
„Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel moeyte en kosten in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door wijlen den Heer Antony van Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de Koninklijke societeit der Wetenschappen te Londen, welke verkogt zullen worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft, op St. Lucas Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker 1747.” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en Latijnschen tekst. Voorin bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde zinnebeeldige plaat, voorstellende een kabinet met laden waarin microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner heeft een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is met „drie” openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van Leeuwenhoek voor. De Catalogus, 43 bladz. groot, is geheel doorschoten met wit papier, waarop de namen van al de koopers en de prijzen die voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend; het getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen aangeeft, de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12 koperen plaatjes met vergrootglazen. Daarenboven zijn er nog op vermeld zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een verlakte vierkante doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen, drogerijen enz.
Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der bovengenoemde plaatjes met vergrootglazen, de meesten met een voorwerp voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1 met drie, 6 met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met zilver gemonteerde koperen stellen en koperen met drie objecten en 375 koperen met 1 object en zonder.
Als eene bijzonderheid staat bij no. 126 een koperen stel vermeld, dat „het vergrootglas geslepen is van een sandje en het object is een sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het vergrootglas is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden wogen er twee 10 Engels 17 azen, de derde 10 Engels 14 azen. Een der eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden 15 stuivers, terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen golden: de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2 tot 7 gulden, 1 koperen stel, waarvan het object was „ongeboren oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden. Een enkel der zilveren gold 10 gulden.
De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som van 737 gulden en 3 stuivers op.
Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste onder de namen der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche gevonden. De naam Dirk Haaxman komt op de lijst der koopers herhaalde malen voor en het is daarom te verwonderen dat er niet meer van deze microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden der andere takken mij bekend zijn, gevonden werden.
De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s ontdekkingen uitging, had ten gevolge dat velen trachtten zich door eigen aanschouwing van de waarheid te overtuigen, te meer daar zijne waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en onderwerpen betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap van die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het begin zijner betrekking met de „Royal Society,” of reeds had hij het meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus in meerdere of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne waarnemingen schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan zijne geliefkoosde nasporingen.
Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel nieuwe wereld van wezens in het water levende en die tot nu toe voor iedereen verborgen waren gebleven, ontdekte zich aan zijn navorschend oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij vol verbazing eene ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid en levendigheid heen en weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al voor het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes vergeleken, die Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als een reus te beschouwen. Een nieuw veld van beschouwing ontwikkelde zich door deze ontdekking aan den denkenden geest. Overal in de natuur is het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als men dit nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 October 1676 duidelijk uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat de „Royal Society” zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den belangrijken inhoud dezer missive bezig hield.
Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater zou worden gereed gemaakt en er ook voor een beter microscoop moest gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s bewering” duidelijk mocht blijken.
Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze „denkbeeldige schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in het water drijvende peperdeeltjes” en geen diertjes. Doch deze bewering werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft. Hij repliceerde, dat Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel levend, als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn bij het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk tot overtuiging te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater met zijn microscoop en verklaarde dat hij de opmerking van Dr. Wistler als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans eene groote hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien had. Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende vergadering een microscoop zou ter tafel brengen, dat nog veel meer vergrooten zou en dat alsdan de quaestie uitgemaakt zou worden.
Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den November 1677 werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat hij nieuw peperwater bereid had met zuiver regenwater en eene kleine hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en dit mengsel gedurende negen à tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,” en „dat hij gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas gezien, toeschenen de grootte van eene myt te bezitten, welk glas volgens zijne berekening honderdduizendmalen in omtrek vergrootte (waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden opgemaakt dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun vorm zegt Hooke „kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal of eivormig van gedaante.”
Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen de leden ieder om strijd zich rondom het microscoop van Hooke verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen. Al de aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering, overtuigden zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij bevestigden allen, dat zij nu de diertjes zagen en ze op allerlei wijzen door het water heen en weder zagen bewegen; men verklaarde ze voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische misleiding kon plaats hebben.
Schitterender kon de reputatie van den Delftschen burger wel niet gevestigd worden, dan in de erkenning van de waarheid van hetgeen hij had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich moest gewonnen geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk in de notulen dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen van deze thans zoo goed geconstateerde feiten, en tevens dat er aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die deze diertjes met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir Christopher Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr. Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s ontdekking te twijfelen viel.”
Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter zijn huis zich een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en waarvan het water in het midden van den zomer zoo koud was, dat men er de hand niet lang in kon houden. Ook in dit water ontdekte hij eene groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte betreft, overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit water eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in van verschillenden vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke diertjes waar. Verder beschrijft hij de ontwikkeling van diertjes door peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan ik de bijzonderheden reeds vermeld heb.
Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze belangrijke ontdekking van het bestaan eener geheele wereld van schepselen, die tot nog toe geheel en al onbekend waren gebleven, moest teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen in onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en levendige belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs bij alle menschen van beschaving en verstand hadden opgewekt.
„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de „Revue des deux mondes” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende, „is het bestaan van myriaden diertjes van de laagste organisatie in bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt ze op openbare soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds, hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot de ernstigste overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te brengen, dat nergens de natuur zoo groot is dan in het oneindig kleine.”
Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine schepsels nu veel helderder en duidelijker dan op de andere wijze met het samengesteld microscoop, hoewel dit een van de beste soorten was.
Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek zelven te zien en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn glazen zoodanig te slijpen, dat hij er die belangrijke waarnemingen mede kon doen.
Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen zouden worden door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen liet vallen en dat hij zeker voor zijne buitengewone onderzoekingen een geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek aan Leeuwenhoek zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de microscopen zich in eene vrij donkere kamer bevond met slechts één raam voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen, en dat zich toch de voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in Engeland of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door weerkaatsende spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.”
Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der wetenschap om de wetenschap zelve, tot de zeldzaamheden scheen te behooren en dat ook toen reeds de practische geest bij de studeerenden was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend aan onze eeuw wil toeschrijven.
Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere kleinheid der lenzen, die de deugdzaamheid aan de microscopen verzekert, want hij zegt daarvan iets verder in denzelfden brief: „Wat mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een ongemeene kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in gebruyk, en ze dienen na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te doen, en daar toe syn bequaam die geene, die uyt een grooter diameter syn geslepen.”
Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een kommetje” noemt en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer nauwkeurig afgebeeld in de bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. 8; dergelijke spiegeltjes zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn aan zijn microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding toeschrijft.
Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „Royal Society” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van Leeuwenhoek zelven in zijne brieven, dat hij microscopen vervaardigde met verschillend vergrootend vermogen.
één van 40 malige middellijn-vergrooting
één van,, 53 malige,, middellijn-vergrooting,,
twee van,, 57 malige,, middellijn-vergrooting,,
drie van,, 66 malige,, middellijn-vergrooting,,
twee van,, 72 malige,, middellijn-vergrooting,,
acht van,, 80 malige,, middellijn-vergrooting,,
drie van,, 100 malige,, middellijn-vergrooting,,
één van,, 114 malige,, middellijn-vergrooting,,
één van,, 133 malige,, middellijn-vergrooting,,
één van,, 169 malige,, middellijn-vergrooting,,
En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker vermogen bezaten, dan het meest vergrootende van de Londensche verzameling, blijkt uit het boven reeds vermelde exemplaar van hem, berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is in zilver gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil is; terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting, biconvex geslepen is.
Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s microscopen is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de voorwerpen bepaalde, die door hem werden waargenomen.
Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of mosterdzaadje; of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van een baardhaar, ja zelfs van een haar uit zijn paruik! Later weder gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte der bloedbolletjes, die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste ontdekkingen herinnerde.
„Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door een goet microscope, hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van myn baard, op een verdeelde linie beslaat; als by exempel, een zoodanig hair syn diameter is so lang, door een microscope te zien, als 50 delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt, als ik door myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien, en ik oordeel, dat als 9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct van een naalde getrokken heb, nevens den anderen lage, een vijftigste part van de diameter van een hair souden uitmaken. Komen dan 450 diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie, uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een hair van myn baard 200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van een vlieg.”
Dit beschrijft hij aldus: „Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de duymen verdeelt waren in dry deelen en yder weder in 10 deelen, is summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb ick geleyt het haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en geoordeelt, dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan 600 hair-breeten in de lenghte van een duym”.
In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere vaardigheid gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht en groot geduld uitnemend te stade kwamen.
Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit in de onderzoeking van de oogen van den Rombout, als ook van die van bijen, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve manen, waarin een ongemeen getal kleine halve bolletjes zijn, die met de uiterste regelmatigheid en netheid in elkander overkruisende lijnen geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn een verzameling van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van alle uitwendige voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000 halve oogen of facetten in de twee oogen van een hommel; Leeuwenhoek calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van den zijdeworm, 7362 in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl hij er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook in het middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat helderder was dan het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de lichtstralen doorgelaten worden tot op het netvlies.
Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te halen, waarin zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en bezig daartoe liefst weder zijn eigen woorden: „Ik hebbe een kleyne mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede ik het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te halen, maar ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen stellen, schoon ik het tot drie à viermalen toe hervatte, in welk ondersoek my veel malen de hersenen uyt het hooft van de mugge, omset met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten te syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met derselver bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden uit het hooft van de mugge haalde, die ik voor het vergrootglas gestelt hebbende den teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, omdat my van een voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne ontdekkingen quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het onmogelijk was te doen, hetgeene ik quam te seggen, omdat, seyde denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet gebruyken, hoe kleyn ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan geen quaatsprekers, het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede sulks te kunnen uitwerken.”
Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne zenuwen uit het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze bestonden uit uiterst dunne vaatjes, waarvan honderden te samen eene zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen openingen van eene onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door zijn microscoop te beschouwen.
Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge jaren toch niet mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te zetten, waarvan hij de moeielijkheid zelf inzag en deed opmerken zeggende: „ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die verdeelingen en men kan bezwaarlijk bekennen, dat soo een dun senutje in soo vele spranken kan verdeelt worden,” maar dat hij daarom toch niet mocht stil staan, want „dat de vrugten, die in den herfst rijp werden, langst konden duren.”
Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn waarheidsliefde in twijfel trok of verdacht maakte en beweerde dat hij zich door zijn verbeelding liet misleiden om anderen maar wat wijs te maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de zaken, die hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt hij er zelf voor „dat het bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.” Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat hij werkelijk „gezien”, en wat hij zich „geïmagineerd” heeft.
Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne waarnemingen omtrent de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de eerste observaties van Leeuwenhoek behooren, die onder de oogen der Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden.
Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de kleine diertjes in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels, zoo als ik die boven beschreven heb en aan welke diertjes, om de wijze, waarop zij verkregen werden, eene eeuw later de oneigenlijke naam van „afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd.
En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk geringe grootte zoo lang aan het menschelijk oog onttrokken was gebleven, waardoor een nieuw veld van wereldbeschouwing geopend werd en de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze kleine levende schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf ontstonden, maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo zeer in tegen de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te verwonderen is dat Leeuwenhoek de hevigste tegenspraak te verduren had. En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen tijd groote strijd gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende organismen, dat nog de „generatio spontanea”, niettegenstaande de meest overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare van die stelling hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam in de geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek ondervond in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe mate over het verlichte oordeel van den moedigen en zelfstandigen denker, die zijn tijd ver vooruit was en zich door geen blind geloof of gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte te doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had om voor zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad en verguisd worden.
Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen stadgenooten te ondervinden. In een brief aan den heer L. van Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het bezit nu van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie mocht nemen, schrijft hij „Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het bloet van ongesonde menschen etc. etc, genegen was om te sien, maer ick heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en daarom is mijn voornemen geen versoeck na dees tijd meer te doen.” En aan zeker Ciciliaansch edelman die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, dat hij binnen Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „Ick verwonder my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.”—
Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond ten gevolge zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en zijne beschouwingen over de voortteeling, die zoo geheel indruischten tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze over dit onderwerp.
Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan had, werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder belang te achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd geruimen tijd heeft bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge waarvan de mannen der wetenschap zich als het ware in twee gelederen schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek er uit afleidde en zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. De voor- en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der bespotting en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der wetenschap beter voorgelicht, eene voorstelling aannam, die beter met de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. Deze nieuwe ontdekking nu, welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek zelf, niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de waarneming van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren.
Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook „spermatozoïden” genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen.
Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking reeds vóór het jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde waarneming te hebben gedaan, was geschied, voegt hij er nog aan toe: dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, was opgenomen in de „Philosophical Transactions” no. 142 zijnde van December 1677 en Januari en Februari 1678.
Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben opgehouden, zoo als blijkt uit eene plaats in zijne „Dissertatio de Herniis”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt, p. 61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „Leydensium Nosocomio” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie spreekt, waargenomen „ni fallor, Lugduni ad Rhenam.”
Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze meening aan te kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen dan dat hij een Leidsch student was. Prof. Halbertsma nu toont in bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze meening aan en gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was.
Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven bestaan over de juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt, opgeheven, door de nasporingen, welke de heer Bakhuyzen van den Brink in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het provinciaal Archief van Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit dit onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen, maar kortweg Ham heette.
Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne Hoog-Mogenden, te vinden in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen der stad Arnhem. En ten overvloede vindt men dat in den „Catalogus inscriptionum”, voorkomende in het Archief van den Senaat der Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving als student op de volgende wijze staat: „1671 Sept. 16. Johannes Ham, Philosophiae studiosus ann. 20, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen verwondering te baren, dat Ham als student in de philosophie werd ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt als student in de medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen, wiens neef onze Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie en medicijnen en doceerde zelfs deze beide vakken. Daar nu verder geen bijzonderheden meer omtrent den levensloop van Ham kunnen medegedeeld worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te Leiden, noch te Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de onmogelijkheden, dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben volbracht, den graad van Doctor in het buitenland, bij voorbeeld aan eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling die niet zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren, blijkens zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student, toen hij den leeftijd van 20 jaren bereikt had. Met minder juistheid nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel met zekerheid is vast te stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens de stads rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem uit de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter vergadering van Hunne Hoog-Mogenden.
Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug.
Op uitnoodiging der „Royal Society” zette Leeuwenhoek nu zijne waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, verzekerde zich van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn, den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met die, welke hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de gelegenheid die te observeeren en vond daarbij dat zij in dit groote dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die hij bij de kleine dieren waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende visschen, die hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot aantal.
De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo als later bleek, vergiste hij zich in de natuur der waargenomen lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, maar veeleer als celachtige weefseldeeltjes moeten beschouwd worden.
Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem eene theorie der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes de grootste zich in de baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en de vrucht of het foetus vormden. Deze theorie, hoewel zij tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze indruischte, werd door velen aangenomen, zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, maar door niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf, Kerkringius, Nuck, Swammerdam en anderen.
„My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea medico-physica”, alwaar, Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar het allerverwonderenste is, dat ons den geleerden Heer Cornelis Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s menschen sperma vol soude zyn van kleine kinderkens, en soo voorts en andere dingen na yders aard.” Waarna hy laat volgen: „’t Is waar dat de Heer Bontekoe my veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar ik heb nooit tegen hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het vol is van levendige dierkens of wormkens die lange staarten hebben”.… Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen niet alleen verdraait, of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het papier met den druk komt gemeen te maken.”
„Die Welt still steht,
Und nicht umgeht,
Wie recht die Gelehrten meynen;
Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt,
Copernicus des Seines,
Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.
Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, niet alleen bij zijn leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot Hartsoeker rekenen. Deze geleerde, wiens scherpe critiek zelfs mannen als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, had zich de moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te onderzoeken. Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn „Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr. Leeuwenhoek,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood van Hartsoeker, is in het licht gegeven.
Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en geringschatting, waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te vinden zijn.
Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn „Extrait critique” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren, zullen voldoende zijn, om zijn scherpen toon te leeren kennen.
Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij geschreven zijn „dans un stile bas et rampant” hoewel hij niet nalaten kon te erkennen, dat zij „contiennent parmi quantité d’observations inutiles et chimériques, quelques unes de très bonnes et qui servent à l’avancement des sciences.”
Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder jaloezie, wegens de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „Je n’ai jamais été surpris qu’un homme comme nôtre auteur, dont le genie étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il a fait des globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en médecine, l’ont cité avec éloge sur sa belle découverte des pretenduës boules, et ont adopté son galimatias.”
Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte van Hartsoeker kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde „Extrait critique”. „J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de l’année 1672, ou au commencement de l’année 1673, dont il s’est fort bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y fus la deuxième fois seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite, que je lui rendis, moité dans la ruë et moitié a l’entrée de sa maison, m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je lui fis sur ses ridicules anatomies, quelques objections aux quelles il ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui disois je, pour disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour tirer les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la semence, enfin pour voir que cette semence est remplie de petits animaux en forme de petites anguilles fort longues et fort minces; de quels verres vous servez vous pour faire cette anatomie? Si le verre est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à vous même; s’il est grand il ne grossit pas assés. Mais de quels couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin et le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .… et la dessus s’ennuiant sans doute de mes objections, il me congédia assez brusquement, disant qu’il avoit d’autres affaires.”
Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of 1698. Hartsoeker was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft, wien hij verzocht had zijn naam niet te noemen.
Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid gebracht, ten einde hen eenige praeparaten te laten zien. De burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker denkende, stelde hem aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijn Extrait critique: „me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil d’indignation et de mépris, serra d’abord toute la boutique, sans vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en fallut qu’il ne nous mit par les bras hors de sa maison.”
Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in de beoordeeling van zijn laatsten brief, vol van scherpte en persoonlijke antipathie: „Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille fois, de sorte que ce ne sont qu’autant de parôles perduës; et pour ce qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus”.
Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van Leeuwenhoek, alsmede van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader uit eene verwijzing naar het boven bedoelde geschrift, de „Theodicae” van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek verdedigt.
Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen der infusoriën in het water en der spermatozoïden in het mannelijk sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste ontwikkelingsmomenten der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, zoo als Haller in zijne beroemde physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper te Delft was geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden, persoonlijk geachten, met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met Leibnitz in schriftelijke verbintenis staanden man, de onafhankelijke zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, wiens wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis en eer verdienen.”
Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen „Protogeae”, in het bijzonder met de volgende woorden, welke als antwoord en dankbetuiging moesten strekken voor den laatsten aan hem gezonden brief, herdacht:
Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van Leeuwenhoek, zegt hij in een zijner brieven: „de Heer Boerhaave in syn oratie, verwerpt onder andere de stellinge van verscheyde Heeren omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant, Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.”
Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van oordeel, zijn oorspronkelijkheid in het verklaren en beoordeelen van feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht in vele zaken, waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en zich alzoo in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang deed kennen.
Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin hij verzocht werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou geloost zijn en waarvan hij het bedrog onmiddellijk aantoonde. „Een seker vrouwspersoon,” zoo verhaalt hij, „maakte de onnosele menschen wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge, met smert quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook eenige kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en groote opschuddinge in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij echter niet noemt waarschynlijk om de lichtgeloovige te sparen) gaf my soodanigen steen in de hand, om die te examineren. Maar ik gaf hem aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van een gebakke vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve hadden gestelt, bevestigt, en sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort, dat sy meer veynsde steenen quyt te worden.”
Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over sommige zaken; zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp toeloopende kristalletjes, die hij onder het microscoop waarnam, als hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen en die hij „het zout van den edik” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op den tong prikken en het gevoel veroorzaken, dat wij zuur noemen! Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden van de peper op de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de „soutdeelen der peper” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun scherpe deelen zoodanig op de tong of in den mond steken, of kwetsen, dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak ondervond. Zoo ook schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat de puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de darmwanden en bloedvaten verwondden en daardoor dikwijls de dood veroorzaakt werd!
Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te voldoen. Dit onderzoek bepaalde zich bij de waarneming met het microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes ondervonden, als zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd. Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter roode kleur verkreeg, terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes binnen een kwart minuut verdwenen waren. Deze kleursverandering en oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven, waaruit dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel van ammonia liquida, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie.
Hage den 17 December 1685.
Monsieur Leeuwenhoek,
Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in ’t ondersoek van geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in gedachten syn gekomen, en veele van onse nakomelingen tot een licht en spoor sullen strekken, om dieper en dieper waarheden op te delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller dingen eerste begintselen, soo UE. meer en meer staat gewaar te werden.
UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit weder in gedenken gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken hoe het overeen kan gebragt werden, met hetgeene UE. ondervind in de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijve
Uw altoos dienstwillige vriend en dienaar, C. Huygens, V. Z.
Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen (schuinloopende streepen) in de groote vaten zoo ver konden gebracht worden, dat zij door het opgestooten vocht, averechtsom gedrukt werden, en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard had opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed en den een onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en nadat deze wijngaart twee a drie jaren gestaan had, kon hij geen onderscheid aan beiden zien en droegen beiden goede vruchten. Ook liet hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een op de gewone wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel aanvankelijk trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en wortelde.
In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in het koren leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander noemt.
De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij onderzocht biergist en vond dat die uit zeer vele kleine ronde „globulen” bestond, waarvan er dikwijls 2, 3 en 4 samen gevoegd waren; het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan en den waren aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel lateren tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze als door de hitte van het water „ontdane deeltjes van de tarwe, gerst, enz. die, als het bier koud geworden was, weder stremden en alzoo de zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden”.
Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het dierenrijk, ook in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en onderzoekingen heeft bewerkstelligd, die recht geven hem ook in dezen tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers te tellen.
Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds opgenoemde verricht, in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden anders nog stil moeten staan bij de ontdekking der „aalachtige diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en slijm der tanden, de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de koraalgewassen die hij onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp was er dat zijn aandacht ontsnapte en waaraan hij niet zijne krachten beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en den waren aard, de eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen.
„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere bekwaamheid uitmuntte in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde die op de geschiktste wijze door het microscoop te beschouwen en ik ben overtuigd, dat iedereen dit met mij eens zal zijn, die eenige van deze voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo als die nog goed geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo heb ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der voorwerpen, dat er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het voorkomen van een en hetzelfde voorwerp, en dat, zoo als het door Mr. Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht. Ik heb nu deze opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou voorbarig een der observaties van dezen Heer te veroordeelen, wanneer het niet gelukt die door zijn eigen glazen te verifieeren. Wij voor ons zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst, doordien Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons gewaarschuwd, dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik van zijne lenzen, zich nog kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet, voordat zij zich door herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben zulk een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de meest oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker geen de minste reden hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk en met zulk een groote zorg zijn onderzocht geworden als deze.”
Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard werden geen andere bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd werden; eene handelwijze, zoo als de Hoogleeraar Harting zegt, die tot voor korten tijd schier de eenige was, die men tot dit oogmerk bezigde.
De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft nagelaten en die met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen in den Catalogus der verkooping, die daarvan na zijn dood te Delft gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende voorwerpen:
DIERLIJKE VOORWERPEN.
Spiervezelen van een walvisch.
Spiervezelen,, van,, een,, kabeljauw.
Spiervezelen,, van,, het hart van een eendvogel.
Dwarse doorsnede der spieren van eene visch.
Huidschubben van een mensch.
Kristal-lens van een os.
Bloedbolletjes van een mensch.
Lever van een varken.
Dwarse doorsnede der blaas.
Blaas van een os.
Papillae der tong van een os.
Haar van een schaap.
Haar,, van,, een,, bever.
Haar,, van,, een,, eland.
Haar,, van,, een,, beer.
Haar,, uit de neus.
Schub van een baars.
Schub,, van,, een,, tong.
Spinwerktuig van eene spinnekop.
Draden van,, eene,, spinnekop,,
Angel van,, eene,, spinnekop,,
Tanden van,, eene,, spinnekop,,
Oogen van,, eene,, spinnekop,,
Spinwerktuig van een zijdeworm.
Hersenen van eene vlieg.
Gezichtszenuwen van eene vlieg.
Uiteinde der pooten.
Angel en koker van eene vloo.
Pooten van,, eene,, vloo,,
Oogen van een rombout.
Oogen,, van,, een,, kever.
Angel van,, een,, luis.
Huid van,, een,, luis,,
Legangel van,, een,, luis,,
Bloedkoraal.
Doorsnede van een oesterschelp.
Ongeboren oesters in een buisje.
PLANTAARDIGE VOORWERPEN.
Dwarse en overlangsche doorsnede van ijpenhout.
Dwarse,, en,, overlangsche,, doorsnede,, van,, greenenhout.
Dwarse,, en,, overlangsche,, doorsnede,, van,, ebbenhout.
Dwarse,, en,, overlangsche,, doorsnede,, van,, lindenhout.
Dwarse,, en,, overlangsche,, doorsnede,, van,, eikenhout.
Dwarse,, en,, overlangsche,, doorsnede,, van,, kaneel.
Dwarse,, en,, overlangsche,, doorsnede,, van,, kurk.
Dwarse,, en,, overlangsche,, doorsnede,, van,, bies.
Doorsnede van uitgedolven hout.
Kiem uit het zaad der rogge.
Vaatbundels uit de muscaatnoot.
MINERALE VOORWERPEN.
Stukjes wit marmer.
Stukjes,, bergkristal.
Stukjes,, diamant.
Stukjes,, bladgoud.
Stukjes,, stofgoud.
Stukjes,, zilvererts.
Salpeter-kristallen enz.
Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door zijne microscopische waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied met goed gevolg de natuurwetenschappen beoefende:
Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester van Amsterdam, d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den Heer Christiaan Huygens over de dagelijksche omwenteling der aarde sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel, voor eene aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde daarin zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem zulk een toestel te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met korten wijden hals, welke hij met water vulde en er eenige stukjes fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij er een looden kogel in, waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een touwtje was gestoken waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met eene kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje ging. Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw zoo ver in den bol zakken, dat deze maar even van den bodem van het glas verwijderd was, waarna hij den bol omgaf met een netsgewijs gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren, dat deze een voet boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij te samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond, vele malen met de vingers, even als een koord, om.
Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze ineengedraaide uiteinden even van het kussen op, waardoor dus de bol in eene snelle ronddraaiende beweging geraakte. De loden kogel nu in de glazen bol stelde den aardbol voor, het water in den bol de waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken. Wanneer nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de kogel alleen, ofschoon langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl de lakdeeltjes, die, toen de bol nog in rust was, zich om den kogel gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de wanden van den bol plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de holte van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het kussen, zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel nedervielen. Nu gaf hij aan dit experiment de volgende verklaring: dat, gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes van den kogel werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de dagelijksche omwenteling of draaiing van den aardbol in de lucht werden opgehouden, en dat, even als met het stil houden van het glas al de lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij zich voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het heelal om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de waterdeelen en andere zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht zouden kunnen blijven zweven, maar nederstorten op den aardbol. Verder toonde hij aan, door de kurk met het touwtje, waaraan de kogel in den bol hing, uit den hals op te trekken, doch zoo, dat hij het touwtje met den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen bol aan kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw, waaraan hij hing te draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de lakdeeltjes van den kogel werden afgestooten, waaruit hij de beweging van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde en waardoor eveneens de vochtige dampen werden weggestooten.
Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der aarde schijnt aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij beschrijft eene verbeterde inrichting van den glazen bol, door die te vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een brief aan Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool bevindt.
Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden een man persoonlijk te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging, wiens waarnemingen algemeen eene buitengewone belangstelling hadden opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden.
Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen opzoeken; velen voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen en het wonderbare, waarvan het gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen, maar ook niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral zijne microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen deed, ten einde zoo mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te leeren. Voorts kwamen zij om hunne bewondering over zijne waarnemingen te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die hij ter sprake gebracht had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide vlijt en volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der beroemde Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de grootste Engelsche geleerden, zoo als Robert Hooke, François Aston, Christopher Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas Gale enz. enz., die hem dikwijls, als bewijs hunner belangstelling, afdrukken der „Philosophical Transactions” toezonden, waarin zijne ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke onderwerpen, die daarmede in verband stonden, werden behandeld.
Beroemde landgenooten, zoo als Constantijn en Christiaan Huygens, Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave, Ruysch, enz. bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen niet zelden zijn gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen aard, terwijl zijn briefwisseling met de meesten hunner, alsmede met Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon, Poot, Rabus en anderen, de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder den naam van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen, behalve nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in zijne verzameling gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan ik boven melding maakte als na zijn dood ter verkoop aangeboden, en waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen nog zullen te vinden zijn.
Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van Leeuwenhoek vriendelijk ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten, waar zij hun verhaalde „dat haar vader sedert eenige jaren veel nieuwe zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat hij bij zijn leven niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem in geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige onderwerpen bespot had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne verbeelding dan door zijne glazen had gezien.”
De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „gar höflich” ontvangen. Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de omloop van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder vertoonde Leeuwenhoek in eene mossel de ontwikkeling der jongen, ook sneed hij een darm der mossel open en toonde door zijn microscoop eene groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm, waarin zij leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot vorming der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte hebben aan zand en kalk voor de vorming der eierschaal.
Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst kleine jonge oesters in spiritus vini bewaard, welke zeer duidelijk te onderkennen waren.
Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had gekregen, antwoordde hij, dat hij den darm eener oester opensneed en met een pennemes een weinig van de daarin vervatte materie nam, hetwelk hij dan op den nagel van zijn duim afstreek, waarop hij vervolgens een droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel stak, waardoor het vocht dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en daarmede ook de jonge oesters in het buisje kwamen.
Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een zandkorreltje, dat even als het schoonste kristal met facetten voorzien was.
Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de verschillende laminae zien, waaruit zij bestond die allen over elkander lagen.
Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende, ook schubben zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm, van welk afschraapsel hij een weinig op een glaasje bracht. Nog vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande uit talrijke zeszijdige halve bolletjes, „welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und also die Vliegen zu mehr als Argus machte.” Ook liet hij de vleugel eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en aderen zien; alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hij hen zijn cabinet zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de genoemde microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde.
Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek hielden over de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene uit gesmolten glasbolletjes vervaardigde, en over andere bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende, heb ik reeds het noodige op blz. 25 vermeld.
De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en uithooren onzen Leeuwenhoek vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten, dat hij op zijn hoede was, om zich niet meer dan hij dienstig oordeelde over enkele bijzonderheden uit te laten. „Doch lockten wir ihm” zoo verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren, „durch allerhande Frage eines und des andere aus.”
Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel merkwaardigs bij dezen „wunderlichen Alten,” gezien hadden.
Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek aangeteekend van Anton Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George I, koningen van Engeland; de Landgraaf van Hessen Cassel; Augustus koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de Keurvorst van den Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens Karel III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den Haag te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin van Engeland, en eindelijk Czaar Peter I van Rusland.
Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen vond ik de volgende bijzonderheden:
Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land bezocht, begaf zij zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te zien en zijne microscopische merkwaardigheden te beschouwen, doch vond hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij bij zijne terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk eene groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich over die teleurstelling zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne erkentelijkheid voor dit bezoek op eene wijze te betoonen, die hem toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig te zijn en droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde vervolg zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan haar op.
Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een bezoek hier te lande van Czaar Peter I, in 1697–1698.
„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een binnenjagt over Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van Holland met zeer veel oplettendheid bezigtigde en het jacht voor het kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed stil houden, en door twee Heeren zijns gevolgs den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed verzoeken van zich in een der volgende vrachtschepen met zijn weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij zelf bij het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om den toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had achtergelaten. Hij vervoegde zich derwaarts en had de eer van onder andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken omloop des bloeds in een aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen tot zoo groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in andere bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór zijn vertrek den gemelden Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo overkleyne voorwerpen bij handtasting ook van zijne zonderlinge dankbaarheid verzekerde.”
Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo veel onderscheiding en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden, het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder van H.H. Schepenen van Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat eenig gevoel van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde.
Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken die hij ontving, mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele andere wijzen erkend en werd hij door vele aanzienlijken met groote hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek de hartelijke wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste landgenooten steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde vervolg zijner brieven aan den Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede, Heer van Renswoude enz. enz.
Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde Poot, voelden zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds 86jarigen grijsaard geschreven waren en onder den naam van „Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek uitmaken, in te leiden.
In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras en de klaver, die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar en in den winter verdwenen zijn, en alles gestorven is; wijst op een wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit en waarin bloemen en vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter van zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij:
„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren!
’t Is geen winter in ’t vernuft,
Dat, na vijf en tachtig Jaaren,
Altydt arbeydt onversuft.