Note 10 — VOORBERICHT.
Reading edition
Dat hij, zoowel te Warmond, als te Benthuizen, goede gronden zal gelegd hebben voor zijne intellectueele ontwikkeling en bij voorzeker gunstigen aanleg, zich den tijd aldaar doorgebracht goed ten nutte zal gemaakt hebben in het verwerven van die kundigheden, die onder zijn bereik kwamen, is van een man met zulk een werkzamen, onderzoekenden geest als wij Leeuwenhoek later zullen leeren kennen, zeker te verwachten. Dat hij zich hier en later, vooral in de wiskundige wetenschappen geoefend heeft, blijkt uit vele brieven van hem in lateren tijd geschreven, waaruit zijn grondige kennis in die richting onmiskenbaar aan den dag komt. Zoo bij voorbeeld, waar hij het aantal „vis-veseltjes” (draadjes, fila) uit de Kabeljauw, die vervat zijn in de „circumferentie van een visstriemtje” (fibrilla) wil uitrekenen, maakt hij gebruik van de leer van Archimedes, om den inhoud van den cirkel door de kennis van den omtrek te berekenen10; alsmede, waar hij door uitrekening tracht te bepalen, dat er tienmaal zoo veel levende dieren uit een hom van een Kabeljauw voortkomen, dan er menschen op aarde wonen, stelt hij, om dit laatste getal te berekenen, „de lengte van den grooten cirkel van den aardbol op 5400 mijlen gerekend zijnde, 22—7—5400 = 1718 mijlen voor de as van den aardbol” en berekent volgens den regel van Metius „om de superfitie van een cloot-bult te berekenen, 7 geeft 22, wat geeft het quadraat getal van de asse,” enz. enz.11. Nog blijkt zijne wiskundige kennis onder anderen uit een postscriptum achter een brief12, waar hij zegt: „De hoogte van onze nieuwe kerkstooren is voor veel jaren door mij, ende wijlen den Landmeter Spoors, yder met syn quadrant afgezien, en bevonden hoog te syn 299 voeten”13.