Note 57 — VOORBERICHT.
Reading edition
Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en bijzondere eigenschappen die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig uitgelaten in een schrijven aan Constantijn Huygens d.d. 7 November 167657. Hij zegt daarin, „dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater, dat eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn oog meer dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam heeft afgebeeld en met den naam van watervloo of waterluis bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,” die hij in dit water ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij staken somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam en dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan het achterlijf een weinig spits, waar zij een staart hadden, die driemaal langer dan het lichaam was. Eene „tweede soort” beschrijft hij als een eirond lichaam, van boven gezien uit 8, 10 à 12 globulen bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een volkomen ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij, verbeeldde zich als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheidene ongeloofelijke dunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een weinig grooter dan de eerste. Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner dan de eerste soort, hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes” kon waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een rechte lijn. De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij er geen figuur aan kon bekennen; deze waren in zijn oog meer dan duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij gingen in snelheid van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere soorten van diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als een „kleine myter”, anderen wederom waren „zeer monstereus.” Hij beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen van, dat zij doorgaans uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water, waarin zij lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten.