Note 193 — VOORBERICHT.
Reading edition
Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed geconserveerden staat wist te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen bewoordingen in een brief, d.d. 17 November 1716, aan Leibnitz geschreven193. „Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee Heeren Professoren van grooten naam de doode (zaad) diertjes, soo als ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer dun glaasje hadde geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam en de staart konde bekennen.”