Note 71 — VOORBERICHT.
Reading edition
Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke d.d. 3 Maart 168271 „een klein sandje, waar hij calculeerde, dat de vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden zoo dun te zijn dat 50 van deselvige nevens den andere leggende de lengte uitmaken van 1⁄20 van een duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 vleesstriemtjens met haar membranen omwonden in een quadraet duym komen”, en een paar regels verder: „Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne musculen vlees, yder met haar menbraan omwonden, nevens den anderen leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars hadde doorgesneden, soo veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (waarvan 100 sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer uitmaken), zoude die konnen bedekt houden.”