Note 167 — VOORBERICHT.
Reading edition
Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz167. Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst duidelijk aan, dat de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn met deeltjes, die hem „als globulen” voorkwamen168. Daar nu Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen aanwees, wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de nieuwere plantkundigen aldus genoemde gestippelde vaten (vasa spiralia punctata). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam, beschrijft hij als „zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande mede uit zeer dunne vliesjes”169. Dit zijn volgens van Hall de verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van Link. Verder wees Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten aan en beeldt deze zeer duidelijk af170.