← Table of contents
Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875

Note 53 — VOORBERICHT.

Reading edition

Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te volmaken. „Wat mijne vergrootglasen aangaan,” zegt hij in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 Juni 169953 „daarvan wil ik mij niet beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is, en moet seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter hebben gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert hebben, waaraan ook veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die vergrootglazen maken, en haar daarover beroemen, die selfs geen bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt; en gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te oordeelen, veel min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te brengen, en dus doende, moet ymant die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen, maar men moet deselve veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden, siende door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en wanneer men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen syn, en dat meer is, soo kan self die geene die gewoon is door vergroot-glasen te zien, in syn meyninge verleyt werden.” Men ziet het, Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij op het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders en bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te sien, wat niet in werkelijkheid bestond.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings