← Table of contents
Zes maanden bij de commando's

XXXV

Reading edition

Op de vlucht

»Bokkie! Maak ons een grooten pot ‘Irish stew’. Wij moeten vannacht ver reizen.”

Hij keek mij besluiteloos aan. »Wat zal dit help? Ons wordt toch gevang! Ons kan net zoo goed hier blij.”

Als een volgeling van den Islam stond hij daar bij de randjes, volkomen onderworpen aan zijn lot.

»Laat ons naar Spijtfontein gaan, naar de plaats van den heer Marais. Krijgen de Engelschen ons daar, goed; krijgen zij ons niet, nog beter. Wij zijn toch vastgekeerd.”

Zoo sprak mijn vriend, die de reis om Kimberley niet met mij gedaan had. Gelukkig, dat ik pas dien weg had afgelegd. Mijn besluit was terstond genomen:

»Ik ken het pad zóó om Kimberley—naar Generaal du Toit. Wij hebben een nacht om in te handelen. Mogelijk komen wij nog veilig bij de Vaalrivier aan.”

Er was slechts een flauwe flikkering van hoop in mij, maar ik sprak ze moed in, en wij aten bedaard ons potje kost, eer wij in het prachtige maanlicht op de vlucht gingen.

Om de twee uur werd er geregeld een goed uur lang uitgespannen. Alles hing van onze paarden af. Zij moesten van tijd tot tijd eten en rusten. De weg was lang en vooral zwaar, zeer zwaar. Ik huiverde, als ik aan het dikke zand dacht. 't Was een treurige rit, een van de treurigste in ons leven. Er werd meer gezucht dan gesproken. De donkerste gedachten hadden in ons gemoed de overhand.

Opweg vernamen wij, dat de Landdrost van Jacobsdal, President Steyn's broeder, ons vooruit langs dienzelfden weg gevlucht was uit het eerste republikeinsch dorpje, dat door den Brit veroverd is.

Bij eene plaats vonden wij de ouders en eenige groote dochters in den grootsten nood omtrent de komst der soldaten. Zij hadden allerlei akelige stories omtrent gruweldaden der troepen vernomen, en wilden met geweld van hun huis vluchten. Ik had het geluk, ze volkomen gerust te stellen en ze over te halen doodstil bij hunne woning te blijven en geen kwaad te vreezen.

Eindelijk kwamen wij bij den onmisbaren »Put” aan, dicht bij het Lichtenburg-Lager. Daar besloten wij wat te slapen. Ongelukkig versliepen wij ons, want het was halfvier uur in den morgen, eer wij wegreden. Het groote zoeklicht uit Kimberley speelde onafgebroken op ons rijtuig, maar daaraan was ik al gewoon geworden. Ik wist wel, dat het ding veel meer schijn dan wezen om 't lijf had—evenmin geraas als wol opleverde—slechts bangmaakte, zonder meer. Het licht toonde ons, waar Kimberley was—en dat was ons ook wat waard. Zoo rammelden en rinkelden wij voort in de stilte des nachts.

Het Lichtenburg-Lager was totaal verdwenen! Dat was iets, waaraan ik nooit gedacht had. Geen tent of wagen was er te zien! Hé, het begon er slecht voor ons uit te zien. Gansch alleen hier ten westen van de stad. Geen burger in de nabijheid.

»Kijk! Als er eens zes of acht Engelschen op ons afkomen, dan schieten wij; maar als zij meer tellen, kiezen wij het hazenpad, hoor?”—Dat was ons akkoord.

»Kimberley” begon flauw te worden. Hij was lang ziek bij de Modderrivier. Zou hij de Vaal halen? Wij moesten langzaam en voorzichtig rijden. Een flauw paard is eenvoudig een volle punt voor elke gedachte van ontkoming. »Dat toch niet, Bokkie.” Bokkie zweeg. Hij werd onrustig, maar zat er als een man van steen voor hem uit te staren. Het ging later op een stapje, want het gevreesde zand was genaderd. Uren lang moesten onze vermoeide dieren stappen, steeds stappen, en dat niet zonder te zweeten. Otto's Kopje bleef nog maar schuin voor ons. Wanneer komen wij die gevaarlijke punt voorbij? Met een veldkijker kan men ons gewis vandaar zien, als de dag doorbreekt.

Oerder en ik loopen vooruit, om de paarden wat verademing te geven. Later is Bokkie ook op den grond. Wij stappen alle drie in het zand, anders komt »Kimberley” er nooit.

Veiligheidshalve nam ik den grooten weg links van dien, welken ik de week tevoren van de waterwerken gevolgd was. Ik dacht, dat Generaal du Toit ook best mogelijk zijn lager had verplaatst. Zoo bleek het ook later. Al de commando's om de stad, op een na, waren Donderdagnacht reeds teruggeweken. French had veel meer verricht dan hij wel wist. Spraken wij niet zooeven van een tooverslag? Gelijk een huis van kaarten, door kinderen gebouwd, viel de heele boel om Kimberley in duigen. Slechts ééne—ons allen ten zegen. Maar deze storie volgt in een ander hoofdstuk.

Gelukkig dus, dat wij wat meer links van de stad hielden, anders waren wij, op de waterwerken bij Generaal Du Toit's verlatene legerplaats in de handen des vijands gereden. Er was eene paniek om de stad in den voornacht reeds ontstaan. De reden was deze: niemand kon eigenlijk zeggen, hoe veel Engelschen er doorgekomen waren. Generaal Froneman telegrafeerde van Scholtznek: »Vijand met groote macht doorgebroken”. Met bliksemsnelheid vloog het bericht van lager tot lager. Hoeveel?—was de groote vraag. »10,000”, riep er een; »15,000” een andere; »slechts 2,000” een derde. De onzekerheid veroorzaakte den schrik. De vrees voor het onbekende bracht verwarring. Generaal Kolbe's lager kwam op de Lichtenburgers haastig afgerold; beide lagers tuimelden voort in de richting van het oude lager van De la Rey, dicht bij Riverton, waarop ook Generaal du Toit's mannen terugvielen.

De Warrentonners redden dien nacht het groote kanon. »Eere, wien eere toekomt”. Door die ééne daad hebben zij—uit een republikeinsch oogpunt, natuurlijk!—hun rebelschap gerechtvaardigd. Meer heldendaden hebben zij trouwens ook niet verricht, zooals wij later zien zullen. De storie werd mij aldus verteld:

Generaal du Toit was dien avond bij Alexandersfontein met de Kimberleyieten bezig, toen Generaal French zijn troefkaart, tot verbazing van beide partijen, zoo theatrikaal speelde! Er werd terstond geseind, dat Long Tom moest gered worden. Ossen waren er niet gauw genoeg bij de hand. Zoo pakten de Warrentonners den oude in het maanlicht beet, en sleepten hem den hoogen zandberg af, tot dicht bij de Waterwerken. Vandaar werd het beroemde stuk door een span ossen verder naar het lager bij Riverton gevoerd. In allerijl snelden de mannen van Kolonel Kekewich naar Kamfersdam, om den gehaten vuurspuwer buit te maken—hij was er niet. Vandaar snelden zij naar Generaal du Toit's hoofdkwartieren—de vogel was gevlogen. Slechts het groote »platform” van zwaren balken, met de groote stalen veer—die aan platform en kanonbuik gehecht, het stuk in positie hield, niettegenstaande de hevige schokken door het schieten veroorzaakt—erop vastgeschroefd, werd er te Kamfersdam gevonden. De Warrentonners waren ze te gauw. Long Tom ging later over de Vaal terug naar Klerksdorp en Pretoria—en wie weet waarheen nog. Als er weer vrede en voorspoed en vrijspraak in den lande is, zullen mijn oude gemeenteleden aan hunne kinderen en kindskinderen »de Storie van Long Tom op Kampersdam” vertellen en hun verre nageslacht zal, met heel wat bijvoegsels, het verhaal van de redding van Long Tom door de Warrentonners aan den vreemdeling getrouw opdisschen.

Tegen halfnegen uur kwamen ook wij bij het lager bij Riverton aan. Het was ons boven verwachting goed gegaan, alhoewel het veel langer geduurd had, eer wij bij de onzen kwamen, dan ik berekend had. Onze paarden waren uitgeput van al dat zand. Van halfvier tot halfnegen uur onder het tuig te zijn, zonder uitspanning, was verregaande wreedheid; maar wat konden wij doen? Er was geen water tusschen den »Put” en de Vaalrivier, en het ging den heelen weg stapsgewijze vanwege het zware pad. Eindelijk waren wij weer onder de Boeren. Tot onze blijdschap waren wij door geen patrouille uit de stad opgepikt, hetwelk zoo uiterst gemakkelijk kon geschied zijn, daar wij feitelijk alleen op den helderen dag er om reden. Later vonden wij eerst uit, waaraan ook wij onze redding te danken hadden.

Gered! Welk een heerlijk woord! Maar wat was er van Generaal Cronjé en zijne duizenden geworden? Waar waren zij nu? Hoe ging het hun?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings