← Table of contents
Zes maanden bij de commando's

XVII

Reading edition

Een kijkje achter de Gordijnen

Niemand weet eigenlijk minder van wat er overal op het vechtterrein gedurende een grooten oorlog plaats vindt, dan de man, die bij een of ander commando zich heeft aangesloten. Die tehuis blijft hoort in deze veel meer, dan die zijne plicht aan 't front doet. Te Pretoria hadden de menschen dagelijks eenige nieuwsbladen, waarin er een soort van overzicht over de geheele, uitgebreide vechtlinie te vinden was. Aan 't front had men, in 't begin vooral, de handen vol aan den strijd om lichaam en ziel aan malkander te houden, terwijl er gedurig gereden en gestreden werd. De Regeering te Pretoria wist natuurlijk ook heel wel, wat er op elk punt gaande was, en van een en ander hooggeplaatsten persoon kon men altoos de jongste nieuwtjes erlangen. Zóó vond ik het althans, toen ik in het begin van November eenige dagen in den hoofdzetel der Zuid-Afrikaansche Republiek mocht doorbrengen. Dank zij den vriendelijken Staatssecretaris had ik ook vrijen toegang tot de Oorlogstelegrammen der Regeering, wier getal »Legio” mag heeten. O! wat heb ik in die op fijn papier getypeerde telegrammen van en naar Pretoria gesnuffeld! Veel heb ik aan mijn persoonlijke ondervinding van zaken aan 't front te danken voor een helder en juist begrip der dingen; veel ben ik ook aan gemelde telegrammen verschuldigd, wat een algemeen overzicht van het geheel der dingen en een blik in de grootere en kleinere raderen der oorlogsmachinerie. Zie hier eenige dingen die mij troffen:

De uitgebreide vechtlinie, die als mogelijk of waarschijnlijk geacht werd. In een oorlog moet men waken tegen den vijand dien men niet, zoowel als tegen hem, die men wel ziet. Het onbekende speelt ook in oorlogszaken—evenals in de wetenschap en in den godsdienst—een grooten rol. Een Generaal moet steeds vragen: »Wat is er mogelijk, of waarschijnlijk?”—zoo wel als de oogen sterk op den vijand vóór hem richten. De verbeelding is een machtige factor in de dispositie van de verschillende grootere en kleinere commando's (of regimenten), waarover een Commandant-Generaal te beschikken heeft. Voor twintig gebeurlijkheden moet hij zich gereed maken, al wordt er slechts ééne werkelijk tot feit verheven. Voorwaar de taak, die op de schouders der twee Regeeringen te Pretoria en te Bloemfontein rustte, en de verantwoordelijkheid der Presidenten en Hoofd-Generaals was geen kleine.

Behalve het belegeren van Ladysmith, Kimberley en Mafeking, waren er nog de volgende krijgsoperaties aan den gang. In 't Noorden stond Generaal F. Grobler (»Groot-Freek” noemde men hem, wegens zijn groote gestalte) op de drift door de Krokodilrivier te loeren. Er waren troepen in Rhodesia; er was een garnizoen te Tuli. Zij konden haastig op Pietersburg afstormen! Wie weet, wat er kon gebeuren? Het kon ook geen kwaad, indien wij door de rivier op Tuli aanrukten, zoo als nog voor het einde van November werkelijk gebeurde. Groot Freek met zijn Zoutpansbergers waren onze noordelijke wacht, of vliegende colonne, al naar omstandigheden hun werk mochten aanwijzen. Een heel commando ging er echter in die noodelooze onderneming (van achteren gezien! na de gebeurtenis geprofeteerd!) een tijd lang op.

Bij Komati Poort lagen er een aantal Lijdenburgers, alsmede te Oshoek en te andere plaatsen op onze oostergrenzen. Wie wist wat er kan gebeuren? Wie kon de toekomst voorspellen? Onze Regeering en Commandant-Generaal moesten tegen alle waarschijnlijke en mogelijke dingen waken. Engeland mocht troepen door Delagoa Baai zenden—alle dingen zijn mogelijk in oorlogstijd. De Swazies moesten scherp in 't oog gehouden worden. Zij konden »hun oude krijgslustigheid” weêr bot vieren. Zij konden tegen de Republiek opstaan. Vandaar het verspillen van nog meer burgerwachten ook aan de oostelijke grenslinie—een bloot mogelijke vechtlinie, maar toch even lastig als een werkelijke.

De vrijheidsgrens werd door een sterk commando vrijheidsburgers opgepast tegen de oude vijanden der Boeren: de geduchte Zulu's. Honderden telegrammen handelen over de mogelijkheid en waarschijnlijkheid van onstuimigheid van dien kant! Wederom eene verdeeling onzer reeds zoo kleine krachten. Ook de Basutolandgrens wordt op dezelfde wijze door Vrijstaatsche commando's bewaakt.

Dan, te Volksrust en Charlestown waren er groote wagenlagers. Nooit heb ik zoo veel wagens bij elkander gezien. Zij waren de wagens der boeren, die te paard Natal waren ingevallen. Generaal Joubert belette hun de wagens mee te voeren. Hij was uiterst voorzichtig. Hij moest tegen een mogelijke mislukking waken. Eerst den vijand uitkloppen en opsluiten, daarna de trouwe wagens met drooge kleeren, biltong, tabak, beschuit, naald en garen, riempjes en wat niet al, naar de Tugela en Ladysmith brengen.

Op 23 October seinde Generaal Joubert aan den President:

»De burgers zijn nu al negen dagen zonder tenten, zij leven in natte kleeren; zij zijn zonder regenjassen; zij lijden gebrek en ellende”.

De wagens zouden alles weer later recht maken, de trouwe, geliefde voortrekkerswagens. O welk een vreugde, toen zij door de Biggarsbergen in November afdonderden! Ook dat was de vrucht van de overwinning van Modderspruit en Nicholson's Nek.

Intusschen echter, zijn er burgers noodig om de wagens op te passen en de ossen te doen weiden. Al weer een groot en geducht commando hors de combat gesteld.

De spoorweg moest ook bewaakt, niet slechts in het veroverd, maar ook in Transvaalsch gebied. Er waren nog velen in den lande, die men niet vertrouwen kon. De commando-treinen liepen dus meestal slechts over dag. Een doorloop of brug kon gebroken, de spoorstaven verwijderd worden. Zoo ook met de telegraafdraden. Dit alles, echter, eischte nog meer burgers. Nog heugt het mij, hoe er overal bij de stations en »sidings” en »culverts”, en bruggen gewapende burgers in die dagen stonden. Zij hadden geen tenten in 't begin, maar woonden in allerlei haastig gefabriceerde afdaken; toch waren zij vroolijk en levenslustig, den reiziger groetende en toeroepend:

»Dag, Burger! Pleizierig!” Vroolijke, groote kinderen! Zij vonden het alles zoo pleizierig in 't begin. Het was hun een groote picnic. De Regeering zorgde voor alles. Waar zijn die pleizierige kerels nu? Wat is er van hun pleizier overgebleven? Waar zijn hunne huizen en echtgenooten, ouders en kinderen?—Welk een picnic!

Gaan wij nu naar de westergrens der twee republieken. Daar vooral schuilde het gevaar. Men zie op eene kaart hoe open en gelijk en toegankelijk de twee Staten van die zijde zijn. Ten Noorden van Mafeking had men den spoorweg naar Buluwayo, waarlangs troepen konden verwacht worden. De Waterberggrens, dor, droog, zanderig, akelig, lag ook bloot aan een aanval van een onbekenden vijand. De arme Waterbergers patrouilleerden daar maanden lang, tot vervelens toe, zonder ooit een vijand te zien. Aan den spoorweg gaat het beter: de Marico burgers nemen Lobatsi in, en Vecht-Generaal Snijman vecht nu en dan te Gaberones en elders, eer hij Generaal Cronjé bij Mafeking opvolgt. Dicht bij Gaberones in het verre noorden moeten er 400 burgers waken, en te Derdepoort, den sleutel tot Rustenberg, staan er 300 man. Zoo worden de krachten versnipperd.

Ten zuiden van Mafeking is Commandant Tollie de Beer van Bloemhof tusschen Vrijburg en Taungs werkzaam. Hij neemt Vrijburg in, vroeg in October, en beschermt onze grenzen in die deelen.

Vecht-Generaal de la Rey is op 17 October reeds van Kraaipan naar Warrenton met 1000 Transvalers en eenig geschut vertrokken. Hij gaat Hoofd-Commandant C. Wessels van den Oranje Vrijstaat helpen, om Kimberley te bedwingen en vestigt zijn hoofdkwartieren bij de Kimberley Waterwerken dicht bij de Vaal. Van hem zullen wij nog meer hooren.

Tegen 31 October gaat de eerste trein vol Transvalers Bloemfontein voorbij, op weg naar Norvals Pont. Zij gaan met een commando Vrijstaters onder Hoofd-Commandant I. Grobler van Philippolis de Kaapkolonie bij Colesberg invallen. Generaal Hendrik Schoeman is tot hoofd der Transvalers gekozen; maar hij is niet juist de rechte man op de rechte plaats. Eigenlijk gezegd, is er een Christiaan de Wet of de la Rey noodig voor het groote werk, dat daar te verrichten is. Maar die mannen kunnen thans niet gespaard worden. Dat commando moest naar Nauwpoort en vandaar naar De Aar zijn doorgedrongen. Op 21 November brak Generaal Schoeman werkelijk een spoorwegbrug op ergens tusschen Nauwpoort en De Aar, maar dit was ook al, dat wij in die richting vernamen. Het was trouwens ook toen al te laat! De guldene kans was de laatste week van October of de eerste week van November. Generaal French, de held van Elandslaagte, was met den laatsten trein uit Ladysmith ontsnapt en tegen de laatste week van November al druk bezig van Nauwpoort als basis in de richting van Colesberg te opereeren.

De eerste week van November was er geen enkel kanon en slechts één enkel regiment te De Aar. Bij de Oranjerivier spoorwegbrug waren er een paar duizend man met eenig grof geschut. Nauwpoort en Stormberg werden beide toen verlaten! De Engelschen hadden geene troepen, om een sterke macht Republikeinen met kanonnen te keeren, al wilden zij ook tot naar de Tafelbaai gaan. Nooit hadden de Federalen zulk eene kans om de Engelsche wapenen een geduchten slag toetebrengen, als in de laatste dagen van October en de eersten van November. Buller's macht was nog op de wateren. Maritzburg was in gevaar. Durban sidderde. Alle krachten werden ingespannen om de zuidelijke helft van Natal te redden: de Kaapkolonie lag open voor een man van onderneming, zoo als de Vrijstaat er later zoo velen te voorschijn bracht. De ure was daar, maar de man was er niet.

't Is noodeloos om er thans over te spreken, maar het kan niet ontkend, dat de Republieken een prachtige kans in 't begin van November hadden, om de zwaartekracht van den oorlog in eenige weken tijds naar de Heksrivier Bergen te verplaatsen. Had men toen gedaan, wat later zoo herhaalde malen gedaan werd, dan was de oorlog jaren lang op Kaapkolonialen bodem gevoerd, eer de grenzen der Republikeinen bedreigd werden.

Langzaam, voorzichtig, doch bedaard gingen de meeste federale Generaals en Commandanten echter destijds te werk. Zoo is ons volkskarakter in den regel. Wij zijn uiterst conservatief van aard. Nieuwe dingen worden niet gaarne onder onze vleugelen genomen. Die diepgewortelde volksaard kwam den Engelschen goed te stade meer dan eens in den oorlog, maar nooit zoo zeer als in die weken. Wisten onze voormannen toen echter, wat zij nu weten? Hadden zij toen het zelfvertrouwen, dat zij later opdeden?—maar genoeg; »gedane zaken hebben geen keer!”

De energieke Generaal Olivier treedt in de maand November ook op het tooneel en dat wel te Bethulie. Hij gaat de Bethuliebrug over en neemt Aliwal Noord in bezit op den 13den der maand. Later dringt hij door tot bij Stormberg, maar de junctielijn van daar tot aan Rosmead (bij Middelburg) wordt door ons niet veroverd! Overal werd er te lang verzuimd, te lang gewikt en gewogen. Wij hadden geen tijd te verliezen; de Engelschen baden slechts om tijd!

De Fauresmithers hadden nog de beste kans van allen, om zich een naam te verwerven. Zie op de kaart, hoe open, dicht bij, genaakbaar de groote spoorweg op hunne grenslijn is. Lord Methuen moet langs die lijn van de Kaap komen. Al de paarden, al het voedsel, al de soldaten moeten over dien weg reizen. De Fauresmithers voeren ook niets uit. Tevergeefs ijvert de wakkere Regeeringscommissaris in die deelen, de Heer C. W. H. van der Post, lid van den Volksraad, voor een oogenblikkelijken aanval op het Grootrivier-Kamp. Er wordt wel een plan gevormd tegen het einde van October (juist ter rechter tijd), maar—er is verdeeldheid onder de Officieren, en deze hoeksteen van alle verdere krijgsoperaties wordt roekeloos weggesmeten!

Rechter Hertzog is in die dagen reeds ijverig aan het werken. Hij is te Barkly West bezig zaken te regelen. Honderd man staan hem als een soort Politie ter zijde. Hij is een Fauresmither van geboorte. Hij is een van de Rechters des lands; hij is thans Rechtsgeleerd-Adviseur zijner Regeering in het pas veroverd gebied van Griqualand West. Later ontmoeten wij hem weêr. Hij is één uit duizend!

Diep in Bechuanaland eindelijk vinden wij den ondernemenden Veldkornet Visser, die Kuruman zonder eenig grof geschut tracht te veroveren. Het gelukt hem ditmaal (12 Nov.) niet; maar later komt hij er weer met een ouderwetsch kanonnetje—en de zaak is beklonken.

»There is a tide in the affairs of men, which, taken at the flood, leads on to fortune,” zegt Shakespeare. Voor de Republieken kwam dat getij in de laatste week van October en de eerste week van November te voorschijn. Wij wierpen ons niet snel en krachtig genoeg op de gunstige golven—en ziet! de wateren daalden. Wij liepen tegen de rotsen en kwamen in engten. God helpe ons!

Vergeten wij, echter, nooit: dat er veel, zeer veel in die eerste dagen te regelen was, en dat wij het oorlogvoeren nog leeren moesten. Denk aan de verbazende uitgestrektheid velds, die moest bewaakt worden, de vele manschappen daartoe benoodigd, en—het voedsel en de kleeren, die naar alle richtingen moesten gezonden worden. Naar Mafeking had men geen trein. Alles, zelfs het groote vestingkanon, werd door paard of muil daarheen vervoerd. Zoo waren er ook andere deelen van het reusachtig vechtterrein (actuëel en mogelijk), die op die wijze van al het noodige moesten voorzien worden. Van ammunitie, bandeliers, geweren, paarden, zadels en tooms spreken wij niet eens; ook niet van de rijtuigen, welke men den Generaals en andere groote heeren moest verschaffen.

De drukte bij de Gouvernementsgebouwen te Pretoria en te Bloemfontein heb ik persoonlijk gezien. Er waren Hoofdcommissies voor Commissariaat in 't algemeen, voor Proviand in 't bijzonder, voor Krijgstoerusting meer bepaald, met sub-commissies op verschillende belangrijke punten zoo als Klerksdorp in de Transvaal en later Edenburg in den Vrijstaat. Te Bloemfontein was er een vaste, gekozene Krijgscommissie, met den Staatspresident aan 't hoofd. Te Pretoria was de grijze Staatspresident een Heir in eigen persoon. President Steyn was generalissimus zijner burgers krachtens de Grondwet; President Kruger was feitelijk de Opperste Generaal der federale machten, krachtens zijne positie en zijn karakter. Alles ging door zijne handen of door zijn hoofd. Hij wist van alles en wilde in alles gekend wezen. Van alle kanten stroomden de electrische boodschappen hem toe. Naar alle zijden zond hij zijn praktische, bezielende, geestelijke raadgevingen en vermaningen. Geen belangrijke Krijgsraad vond in eenig deel van het uitgestrekte vechtterrein plaats, of de oude Staatsman sprak als 't ware een woordje mee. Geen gewichtig krijgsplan werd vastgesteld, voordat hij er in gekend werd. Met den nobelen President van den Oranje Vrijstaat was hij in gedurige communicatie. Hartelijk en heerlijk was de samenwerking tusschen de twee Presidenten, en tijdens den oorlog liet de verhouding tusschen President Kruger en den Commandant-Generaal niets te wenschen over.

President Kruger was te oud en ziekelijk, om bij de commando's tot het einde toe te blijven, maar geen Transvaler of Vrijstater zal het hem in de verste verte ten kwade duiden. Zijne telegrammen tijdens den oorlog persoonlijk gedicteerd, toonen zijn onwrikbaar geloof, zijn onverpoosden ijver, zijn innig patriotisme en zijne krachtige persoonlijkheid. In boekvorm uitgegeven, zullen zij een blijvend monument van den waardigen man uitmaken. De ridderlijke trouw, edele zelfopoffering en standvastige volharding van President Steyn kunnen een van de schoonste erfenissen van den oorlog voor 't volk van Zuid-Afrika en voor de menschheid in 't algemeen geacht worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings