← Table of contents
Zes maanden bij de commando's

XXVII

Reading edition

Verdwaald

Dien avond verdwaalde ik. Geen wonder! Er was zoo veel te vragen, zoo veel te vertellen. De Vrijstaters gingen naar hunne tenten. Ik bleef achter. De Warrentonners gingen huns weegs, behalve één vriend, die nog wat met mij te kouten had. Het weder betrok, het werd laat; maar wij bleven daar in de breede vlakte staan, over het oude en het nieuwe gedachten wisselend. Was ik toen maar met mijn vriend en wapenbroeder naar het Warrentonsche lager gegaan, maar ik dacht aan mijn vermoeid paard en aan den warmen stal en het voeder te Olifantsfontein en meende mijn weg daarheen wel te zullen vinden. Mijn vriend ging een eind weegs met mij en toonde mij de richting aan, welke ik verder te volgen had. Wij scheidden en ik vervolgde mijn weg met blijdschap.

Ongelukkig, echter, ben ik niet met een al te grooten »knop voor localiteit” (bump of locality)—zoo als de Phrenologen zekere projectie boven de oogen noemen—gezegend. Ik raakte van koers. Ik verloor de juiste richting, zonder het echter te weten. Voort ging het op een stijven galop, maar de plaatse mijner bestemming kwam niet in 't gezicht.

Plotseling overviel de duisternis mij. In Zuid-Afrika heeft men weinig schemerlicht. De overgang van dag tot nacht is verrassend snel, vooral voor een Europeaan uit 't verre Noorden. Gij ziet alles voor u helder en klaar—geen half uur later valt het gordijn, de lichten worden gebluscht, de schouwburg wordt gesloten, de pret is afgeloopen. Of, zoo als de dichter en wijsgeer, Coleridge, het zoo prachtig uitdrukt:

The sun's rim dips; the stars rush out: At one stride comes the dark.

Ik ben werkelijk aan 't dwalen! dit wordt mij al duidelijker, al wil ik het voor langen tijd niet gelooven. Voorwaarts »Lady”! Arm dier, gij krijgt het zwaar op uw eersten dag bij Kimberley; maar wie weet? misschien is Olifantsfontein daar achter dien heuvel voor mij. Ik jaag zoo snel ik kan. 't Is een wedren met de duisternis Als ik in de rechte richting ben, mag ik het nog winnen vanavond; maar als ik verdwaald ben, kom ik er niet.

Er is niets aan te doen. Mijn paard is nat bezweet en ik ben hopeloos verward. »Na vroolijkheid komt oolijkheid” werd mij, als kind, dikwijls gezegd. Ja, zoo is het ook. Pas was ik tusschen mijn goede vrienden in; thans!—waar ben ik thans? Dat's juist de groote kwestie. Niets is gemakkelijker dan om in de omgeving van de diamantenstad te verdwalen. Er zijn geen prominente natuurlijke bakens, om in 't oog te houden: geen hooge bergen of boomen.

Het begint te regenen. Ja, dat moest er slecht nog bij komen. Nu is de maat bijna vol. Een mooi spulletje, hoor! Dat komt van den avontuurzucht. Zoo gaat het, als men sensaties zoekt. Hm, je wilt immers indrukken ontvangen. Hier hebt je ze nu bij dozijnen—allen onaangenaam, maar daarom des te meer onvergetelijk.

Hè! Wat steekt me hier in den rug? Ik zie verschrikt om: 't is een geweldige straal van een electrisch zoeklicht uit Kimberley! Voor de eerste maal in den oorlog maak ik persoonlijk kennis met een sterk zoeklicht, en ik moet erkennen, dat het mij veel meer dan de luchtballon van Ladysmith deed rillen en grillen. Het wierp een verbazend helderen straal en dat wel op mijn ruggegraat. Het ding doorboorde mij van achteren als met een scherp mes. Sidderend keek ik telkenmale om, zoo nabij scheen mij het onbeschaamde monster te zijn. Ik twijfelde er in het begin geen oogenblik aan, dat de mannen, bij dat licht staande, mij van kop tot teenen met de oogen opnamen en ik verwachtte elk oogenblik een schot, op mij gericht. Zóó ontzettend was de kracht van het electrische toestel, zoo nabij scheen het mij te wezen, en zoo onzeker was ik omtrent de richting, die ik insloeg.

Meer dan eens schoot de akelige gedachte mij te binnen, dat ik mogelijk in een cirkel gereden was en nu veel nader aan Kimberley was, dan toen ik mijn vriend verliet. Toen er, echter, niets gebeurde en ik aan het onheilspellend ding begon te gewennen, werd het mij spoedig duidelijk, dat ik in elk geval al verder van de stad reed. Het zoeklicht bewees mij een bepaalde gunst, ten slotte, omdat ik daardoor te weten kwam, waar de vijand was. Zoo zijn er meer »vermomde zegeningen” in de wereld, niet waar? Hoe afgrijselijker het masker, hoe grooter het nut, dat er achter schuilt.

Het regent maar altoos zacht door, maar daarvoor heb ik immers mijn regenjas meêgebracht. Dus stoor ik mij daaraan niet veel. In Natal werd ik op dat punt gezouten. Ook kwam ik daar veilig en goed door mijne avonturen te Dundee, Elandslaagte en Colenso. Het zal wel van avond ook »alles recht komen”, gelijk Jan Brand placht te zeggen.

De wind begint te loeien en ik ben zoo eenzaam. 't Is tastbare duisternis rondom en op mij, behalve wanneer de electriciteit als een bliksemstraal op mij daalt en eenige oogenblikken blijft rusten. Wat wordt er van mij en »Lady” vannacht? Wij gaan op een stap voort. Plotseling staat het dier stil. Het wil geen voet verzetten. Ik stijg af en ontdek, dat er een draad-omheining voor ons is. Wel, het beste is om al langs de omheining maar voort te gaan. Ik leid het paard aan den teugel en stap met een bekommerd gemoed en hongerige maag in het duistere en onbekende voort.

Er is eene sloot aan mijn rechterhand, zooals de regen er vele rondom Kimberley in oude paden spoelt. Ik kijk van tijd tot tijd in de sloot.—Wat is dat ding daar? Het lijkt precies op het lijk eener vrouw! Daar, diep in de sloot. Met huivering buk ik mij voorover—Neen! er is niets. 't Is een spel mijner fantasie. Een telegrafist te Olifantsfontein had ons dien dag verteld van zekere vrouw, die uit Kimberley trachtte te vluchten en wier lijk ergens in eene sloot gevonden was! Hij had het gehoord, zeide hij, maar niet gezien. Ik schudde de storie toen gemakkelijk van mij af, daar er zoo vele van dien aard in oorlogstijd de ronde doen; toch bleef er eene nasmaak van het verhaal aan mijne verbeelding kleven. Vandaar het gezicht, dat ik meende te zien. Mogelijk is de geheele geschiedenis van de vrouw op die wijze geboren.

Eindelijk zag ik een klein, dof licht voor mij, welkom als een vuurtoren voor den beangsten zeeman, wanneer de stormwind loeit en de gapende golven zijn vaartuig bedreigen. Ik vind spoedig eene plaats, waar de doorndraad slap hangt en met eenige moeite gelukt het mij »Lady” er over te krijgen. 't Is bij acht uur in den avond. Vijf uur was zij onder den zadel.

't Is een eenvoudige boerenhoeve, van »rauwe steenen” gebouwd, die ik langzaam nader. Ik klop aan de deur. »Wie is daar?”—roept een vrouwenstem. »Een vriend—een Transvaler!”—is het antwoord. De deur gaat open en ik vind mij in de tegenwoordigheid van een gezellig vrouwtje. Op den achtergrond zie ik een jonge dame en een jongeling in de kamer zitten. De rest is gemakkelijk te gissen: met behulp van den jongen Vrijstater kreeg ik wat mielies voor mijn paard—pure mielies, zonder kaf zelfs, moest »Lady” dien nacht vreten,—die onder een boom in de opene lucht en den kouden regen den nacht moest doorbrengen. Eene plaats werd mij aan den avonddisch gegeven, waarop er wat brood en vleesch gezet en koffie geschonken werd. De huisheer was op commando, en de vrouw deed wat zij kon in hare eenvoudige en beperkte omstandigheden, om mijne behoeften te gemoet te komen. Tafel en stoelen, voedsel en alles binnen in de woning toonden armoede, maar zij gaf, wat zij mij te geven had, op echte boerenwijze. Een matras werd op den grond in het voorvertrek—de »zitkamer”, waar men gasten ontvangt, als zij door de voordeur instappen (ik kwam er bij de achterdeur in)—door de jonge dame gelegd en een bed werd er door hare rappe handen in een oogwenk voor de twee manspersonen gespreid. Alles was schoon en ik kan de goede lieden niet genoeg voor de gastvrijheid van dien avond dankzeggen.

Maar—er waren geen binnendeuren in het huis, dat uit vier kleine vertrekken bestond. De »voorkamer” had twee openingen, voor deuren bestemd. De ééne gaf toegang tot de slaapkamer van de moeder en de dochter des huizes, de andere leidde naar de eetkamer, waardoor men tot de kleine keuken kwam. Er waren gordijnen van gekleurd linnen voor de openingen gehangen, maar elk woord dat men sprak, was door het gansche huis hoorbaar.

Na een half uur gezellig pratens in het voorste vertrek, verdween de moeder achter het gordijn. Zij ging slapen. De jonge man was zeer levendig en vroolijk. De jonge dame zag er blozend en rijzig en welgevuld uit, zooals een jonge Boerendochter van achttien of negentien zomers er behoort uit te zien. Het werkzaam leven in de opene lucht, gepaard met eenvoudige spijzen en volop versche melk geeft overvloed van groeikracht en rondheid van leest. Aan hare houding en manieren kon ik spoedig bemerken, dat zij den jongeling niet ongenegen was. Wat den depêcherijder betreft—hij behoorde aan het Vrijstaatsche Wielrijderscorps, dat toen reeds hunne wielen meestal met paarden verwisseld hadden—wel, hij kon de oogen van zijn schoone vriendin nauwelijks afwenden.

Ik was blijkbaar in den weg. Beleefdheidshalve moesten de twee jongelieden mij gezelschap houden. Mogelijk waren zij verloofden—in elk geval waren zij stellig op elkander verliefd. Dus: naar bed zoo spoedig mogelijk, opdat de jonge harten en oogen en wangen wat nader aan elkander konden getrokken worden. De moeder had er blijkbaar geene objectie tegen. Ik natuurlijk nog minder.

»Goei'n nacht, jonge vrienden. Ik zal maar gaan slapen. Ik ben moede.”

Heel zedig en doodbedaard stonden de twee verliefden op en ik vond mij alleen. Zij waren in de eetkamer, achter het gordijn verdwenen. Waar konden zij anders gaan? Er was geen keuze—'t is oorlogstijd.

Spoedig lag ik tusschen de warme dekens, druk bezig in slaap te vallen. Het gefluister en gelach en ook andere geluiden namen, echter, gestadig toe in de kleine eetkamer, geen acht treden van mijn peluw. Vroolijke guiten! Laat anderen vrij oorlog maken; zij zullen »een deuntje vrijen”. Zij leven in het zoete heden. Wat raakt ze de toekomst van land en volk? Morgen wordt er mogelijk gevochten, van avond wordt er stellig—gekust.

Met lieflijke herinneringen aan de dagen mijner jongelingschap, viel ik in slaap.

Toen ik, eenige uren later, ontwaakte, lag ik nog alleen. De twee tortelduiven kirden er steeds voort achter het dunne gordijn. Het fluisteren en gichelen waren crescendo; de bouwvallige stoelen, waarop het levenslustig paartje zat, kraakten en piepten op onrustbarende wijze. 't Was als of de stoelen met geweld aan 't flirten waren. Wat hebben die rustelooze stoelen mij dien nacht gehinderd!—even als het knagen en knabbelen van eene muis of het rukken en plukken van een spoorwegrijtuig soms der vermoeiden reiziger kunnen storen. Welk eene weelde van woorden hebben vroolijke, jeugdige harten aan elkander uittestorten! Wat is er alles te vertellen? Worden zij nooit moede? Krijgen zij nimmer vaak? Kriek... kraak.... tchu-tchu-tchu-tchu-tchu.... (geheimzinnige pauze); dan weer krieken en kraken, piepen en gichelen (geheimzinnige pauze—tamelijk lang); nog eens gichelen en vooral fluisteren, veel fluisteren, oneindig fluisteren. Goeie deugd! wanneer is de conversatie uitgeput? Shu-shu-shu-shu-shu.—tchê-tchê-tchê-tchê-tchê—Kr.r.r.r.r.r.r.r.r.r.rits—kr.r.r.r.r.r.raak. Och! wat heb ik 'n vaak. Jongens! houdt op! Lo-o-o-o-op sla-a-a-a-ap t-t-t-t-toch.

Ik dommelde eindelijk weer in voor een laatsten, verkwikkenden slaap. Toen ik wakker werd, lag het jongmensch op zijn rug aan mijne zij te snorken. Het meisje zag ik nooit weer. De oorlogsgolven, door French naar Kimberley gestuwd, hebben haar en de haren gewis tot diep in den Vrijstaat ergens geslingerd, totdat zij later in een »Concentratiekamp” te land kwamen. De dartele ondeugende jongeling is mogelijk nog bij Generaal De Wet. Het babbelend liefkozend paartje levert ons slechts een typisch »kijkje achter het linnen gordijn”, om dan voor goed van het oorlogstooneel te verdwijnen. Te midden der commando's, onder het geknetter der geweren en het gedreun der kanonnen, met het alles doordringend zoeklicht als 't ware op 't huisje, vermaken zij zich met een ontijdige conversatie en eene luidruchtige flirtatie. Zoo gaat het in de wereld ten allen tijde. In de dagen van Noach ging het veel doller toe.... totdat de Zondvloed er onverwachts een einde aan maakte. Toen Rome aan brand vloog, speelde Nero op de viool. Onder de lavastroomen van Pompeji werd de wellust op heeterdaad versteend.

Daar ginds bij de linden klonk vedel en trom, Daar draaide en zwaaide de vroolijke drom, Daar woelde en krioelde het alles dooreen, Maar aan lijden en sterven—daaraan dacht er geen! (Jan van Beers).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings