XXV
Reading edition
Naar Kimberley
De »Bicycle Expeditie” had ons wijsheid geleerd. »Never again!” zeiden wij tegen elkander—de heer Oerder en ik—onbewust de klassieke uiting van Sir Alfred Milner op de lippen nemend. De groote wandeling van Colenso naar het Duitsche lagertje, ten zuiden van Ladysmith, waren wij ook niet vergeten. In het hart van den zomer maakt men niet gaarne in Zuid-Afrika lange en steile tochten te voet. Dus nog eens: »Never again!”
De energieke heer Japie Cilliers, die wel met evenveel recht als Odysseus ποικιλομητης (slimme raadgever) mag heeten, gaf ook in deze raad:
»Ga met mij naar Johannesburg en wij zullen zien, wat Commandant Daniel Schutte voor jullie kan doen.”
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Eenige weken later waren wij per spoor te Bloemfontein aangeland en wachtten wij slechts op een wagentje en twee sterke paarden, uit de goudstad naar ons te worden gezonden, om de reis naar Kimberley en Magersfontein voort te zetten.
Aangenaam was het mij onder het vriendelijke dak van mijnen zwager, den heer Bartmann M. A., Superintendant van Onderwijs, eenige dagen te mogen vertoeven, en President Steyn in diens huis te mogen bezoeken en spreken. Daar hij aan 't Hoofd der Vrijstaatsche Burgermachten, krachtens de Grondwet, gesteld was, vroeg ik hem de kennisgeving door Generaal Joubert aan mij overhandigd (zie Hfd. XXII) in te zien en zoo mogelijk goed te keuren. Met een vriendelijken glimlach en de hem eigene hartelijkheid hechtte hij zijne volle toestemming aan het geschrevene, door met zijn potlood er dwars over te schrijven:
Door mij gezien en goedgekeurd, M. T. Steyn.
1 Jan. 1900.
Na het overlijden van Generaal Joubert, legde ik gemeld dokumentje Generaal Louis Botha voor, die er onder het door den President geschrevene met zijne pen bijvoegde:
Gezien en goedgekeurd, Louis Botha, Wnd. C.-G.
15.5.00.
Een heel klein en onaanzienlijk dokumentje, uiterlijk beschouwd; maar voor den bezitter van groote waarde.
Het wagentje—geriefelijk en licht: een »delivery van” van een bekende Handelsfirma, met een heele geschiedenis omtrent »Schoenen en Laarzen” en »Kleeren” en »Kruidenierswaren”, in 't Engelsch in groote zwarte hoofdletters op de kap-klappen geschreven—en twee groote, sterke paarden daagden tot onze blijdschap te Bloemfontein op, en vroeg in de eerste week van 't nieuwe jaar reden wij vroolijk en welgemoed naar Kimberley. Wij hadden heel wat scheepsbeschuit, »Quaker Oats”—een weeldeartikel van groot belang in die dagen—en blikjes vleesch en visch met het wagentje meêgekregen—er was ruimte genoeg voor onze portmanteaux en een klein matras, te Bloemfontein gekocht—en wij hadden een eerste klas kleurling-koetsier, die op den klassieken naam »Bokkie” boogde, in handen gekregen. Dezen laatsten zegen—geene kleinigheid, hoor!—hadden wij aan de bemoeiingen van een goeden vriend uit vorige jaren, den heer W. Poultney, van Bloemfontein—die in verband met het Vrijstaatsche Commissariaat zoowat dezelfde rol als de heer Japie Cilliers vervulde—te danken.
Goede, degelijke, ouderwetsche, oude Bokkie! Hij was klein van postuur, maar meester van zijn vak. Zijn hart zat op de rechte plek, hoewel zijn gezicht als een rozijn geplooid was, of zoo—als de jolige Justus van Maurik het heeft:—»rimpelig als een overjarige appel” er uit zag. Wat was er van onze paarden zonder Bokkie geworden! Hoe veel zorg en moeite en tijd heeft hij niet aan die onmisbare dieren—onmisbaar, vooral toen wij een ganschen nacht door moesten vluchten!—besteed. Voeder was bitter schaars, gras was er hoegenaamd niet bij de Modderrivier en om Kimberley; de twee dieren, die wij »Ladysmith” en »Kimberley” doopten, kregen een hevige verkoudheid (de zoogenaamde »nieuwe ziekte”) en werden mager als Farao's gulzige koeien.... maar Bokkie wist altoos raad, en redde ons van gedwongene vacantie op het ruwe St. Helena.
Wij namen den weg ten zuiden van de Modderrivier tot aan Koedoesrand drift, waar wij naar de overzijde doorgingen en een nacht onder het gastvrije dak van den oude heer Hendrik Groenewald doorbrachten. Wat waren wij in ons schik met ons rijtuig, en paarden, en koetsier! Welk een contrast tusschen deze reis en onze laatste in Natal. Wij lachten lekker bij de herinnering aan die lamlendige bicycles en al ons sukkelen en zwoegen en zweeten daar bij het verre Ladysmith. »Het oude was voorbij gegaan: alles was nieuw geworden.” Er was ook overvloed van melk op weg. Overal bij de boerenwoningen kregen wij er een bottel versche melk, enkel voor het vragen, van de vrouw of de dochter des huizes. Zelden was er een blanke manspersoon te zien op de boerenhoeven: de vrouwen moesten met behulp van eenige Kaffers de gansche boerderij voortzetten. Edele, onovertrefbare boerenvrouwen! Of zij zich dapper en flink en ferm gedroegen! Zijn zij ook niet heldinnen? Zijn zij niet met nog meer roem beladen dan heur mans? Hebben zij niet feitelijk veel meer en veel zwaarder dan hunne echtgenooten of vaders of zonen geleden, omdat zij meer gevoelig en teeder, liefhebbend en bekommerd van aard zijn, en ook omdat de verbeelding ze de dingen aan 't front veel akeliger afschilderde, dan zij in werkelijkheid waren? Maar wij moeten ons haasten; wij gaan naar Kimberley en Magersfontein. Latere schrijvers zullen den lof der Boerenvrouwen in lied en geschiedenis en roman verkondigen.
»Voort! Ladysmith—flink! Kimberley! Wat zijn zij heerlijke, sterke paarden, Bokkie?”
»Ja, Baas! maar die zand is zwaar en die pad is lang. Ons moet langzaam gaan, anders raak die perde gedaan, en dan? Wat vang ons dan aan?”
Zoo was het ook. De weg van Bloemfontein door de Modderrivier naar de lagers om Kimberley en bij de Modderrivier was een zeer zanderige en dus bitter zware voor paard en muil en os. Even zoo de weg van Edenburg over Jacobsdal naar de Magersfontein-posities. En toch was deze onze lijn van communicatie, ons eenig kanaal voor den stroom van voedsel en voeder voor mensch en dier, die onafgebroken naar de lagers vloeide. Twee nachten sliepen wij op weg, en wij hadden een licht rijtuig en twee sterke, vette paarden. Hoe zou het met Cronjé's burgers en paarden gaan, als de Engelschen ze daar maanden lang lieten wachten? Voor ons was het wel een soort van pleiziertocht, een dagelijksche picnic van Bloemfontein naar de posities onzer commando's,—maar voor de twee Regeeringen en Commissariaat-Departementen was er geen moeilijker taak in eenig deel van de uitgebreide vechtlinie, dan de tienduizend burgers en meer dan tienduizend paarden rondom de diamantenstad en bij de Modderrivier en in de Magersfontein-posities van al het noodige te voorzien. Naar al de andere groote commando's—te Colenso, Ladysmith, Colesberg, Stormberg—had men een spoorweg voor den geheelen weg, of het grootste deel in elk geval, om te gebruiken. Hierheen, even als naar Mafeking, ging alles, alles per wagen, door os of ezel getrokken, en Mafeking had natuurlijk maar een vierde deel van het getal burgers en paarden, die hier om kost riepen. De Z. A. S. M. kon hier niet helpen.
Daaraan dachten wij toen echter niet. Wij gingen voorspoedig en pleizierig voort, met geweer en Mauser-pistool, zakboek en schetsboek gewapend, en Ladysmith en Kimberley en Bokkie zorgden dat alles goed ging. Later heb ik dikwijls over den aangenamen rit, en vooral over ons lekker avondeten, weelderige bedstede en zoete rust te »Koedoesdam” (de naam der plaats) met weemoed nagedacht. Immers, niet verre van de vriendelijke hoeve, wat lager af langs de rivier, zagen wij dien avond den donkeren Paardenberg. Tusschen de Koedoesdrift en Paardenberg zou het ongelukkige lager van Generaal Cronjé voor het laatst getrokken worden. Op Koedoesrand zou er te vergeefs tegen Generaal Kitchener gevochten worden, terwijl hij den kring van ijzer en staal om Cronjé's duizenden hielp trekken. Dezelfde drift, waar wij door kwamen, zou Generaal Cronjé geen twee maanden later trachten te bereiken; maar French zou hem daar te gauw zijn, en hem den doortocht voor goed afsnijden. Daar bij Koedoesrand zou de edele Hoofd-Generaal, Ignatius Ferreira, door een ongeluk in het holle van den nacht den dood ingaan—diep betreurd onder de duizenden, die met hem in den oorlog beweend worden. Ja, op den stoep, waarop wij gezellig zaten te praten, zou er een Britsch maxim geplant worden, en het huis, dat ons zoo goed ontvangen had, zou weldra verwoest worden. Waar zwerft onze grijze gastheer met zijne zwakke gade nu? Wat is er van hen geworden, sedert—zij met zoo velen als kaf voor den wind door de legioenen van Lord Roberts werden voortgedreven?
Den volgenden dag tegen 1 uur waren wij te Olifantsfontein, ten oosten van Kimberley, de hoofdkwartieren van Hoofd-Commandant C. Wessels. Voor het eerst bevonden wij ons in een Vrijstaatsch lager, dat der Hoopstadters namelijk. Sedert het einde van October waren zij reeds op bovengemelde plaats, die minstens zes mijl van Kimberley gelegen was. De Vrijstaters hadden verschillende kleine lagers van spoorlijn tot spoorlijn, dat is: van Dronfield Siding ten noorden tot Spijtfontein, ten zuiden der stad. De Transvalers hadden weer zekere posities op de tegenovergestelde helft van den cirkel rondom Kimberley.
De Hoofd-Commandant was ons zeer vriendelijk en voorzag ons van het noodige voor mensch en dier. Uit gesprekken met hem verstond ik: dat de grootste redenen waarom hij de stad niet nauwer insloot: a. gebrek aan water en b. gebrek aan kanonnen was, terwijl voor hem afdoende reden om geen aanval te wagen c. in de aanwezigheid van dynamietmijnen bij de toegangen tot de stad gelegen was. Zoo legde de Commandant de zaak uit. Of men zeker was op 't punt der dynamietmijnen, of slechts »het onbekende” vreesde, zooals meermalen in oorlogstijden gebeurt, laat ik aan anderen over om te beslissen. Dat het beleg van Kimberley een nog grooter fiasco dan dat van Ladysmith of Mafeking was, wordt door velen beweerd. Mij kwam het voor, heel veel op een groote picnic in een dorre woestijn te gelijken. Heldendaden werden er heel zelden verricht. Men had er vooral met de ongevoelige Natuur te kampen, en die worsteling was soms bitter zwaar, zoo als ik uit eigen ondervinding kan getuigen. De droogte was dat jaar buitengewoon. Zelfs de ouden van dagen herinnerden zich niet zulk een aanhoudende, regenlooze treurigheid in die gewesten ooit gesmaakt te hebben. Was de omgeving van de diamantenstad nu schoon en schilderachtig, dan had men toch iets om oog en hart te bekoren, terwijl het lichaam van mensch en dier verkwijnde. De derde regel van de Genestet's prachtig couplet kon, echter, in die dagen op de omstreken van Kimberley, als een geheel, geenszins worden toegepast—de overigen wel:
Natuur!—wat deert haar Uw lief of leed? Ze is reed'loos lieflijk En zielloos wreed.