← Table of contents
Zes maanden bij de commando's

XXXI

Reading edition

Een nauwe ontkoming

Ook Generaal De Wet gingen wij in die dagen bezoeken. Zijn lagertje was op de wallen der Modder gelegen, niet verre van de plaats, waar »de groote sloot” over de breede vlakte tot aan de Magersfontein randjes begon. Wij reden er heen van Cronjé's lager met ons wagentje, om er een paar dagen te vertoeven. Vriendelijk ontving hij ons en lang zaten wij over de Natalsche gevechten te praten. Ook Majoor Albrecht vonden wij daar met zijn adjudant en eenige onderofficieren en manschappen. Veel vertelde ook hij ons omtrent Belmont en Graspan. Hij had een hoogen dunk van Generaal De la Rey en zeide onder anderen:

»Met hem ga ik door 't vuur”.

De verhouding tusschen hem en Generaal De Wet liet ook niets te wenschen over. Ze hadden de meeste achting voor elkander. 't Was mij waarlijk een genot, met zulke intelligente en tegelijk patriotische officieren eenige uren te mogen doorbrengen.

Ons linkervleugel was in die dagen wat meer uitgebreid dan tijdens den slag. Er waren bijvoorbeeld Winburgers en Lichtenburgers over de rivier, om een aanval tusschen de twee rivieren—op Jacobsdal bijvoorbeeld—vanuit het Engelsche kamp te weerstaan. Commandant Lubbe met een paar honderd man hield het oog op de driften door de Rietrivier, in geval van een inval van den kant van Belmont of Graspan. Nog verder langs de Oranjerivier waren er kleine commando's Fauresmithers van ongeveer 150 man, onder Commandanten Jacobs en Hertzog, broeder van den Rechter van dien naam.

In die dagen reeds—begin van Januari—kon ik duidelijk bemerken, dat mannen als De Wet en Albrecht allesbehalve op hun gemak waren omtrent de uitgestrekte wereld aan onze linkerhand—de grenzen van Jacobsdal en Fauresmith,—die zoo te zeggen onbeschermd waren. Mijn collega van 't Staats-Gymnasium, de heer Ellenberger, die voor het Informatie-Bureau van Professor Molengraaf werk deed, sprak dikwijls met mij, daar aan de stille oevers der Modder bij Cronjé's Lager, over hetzelfde brandende onderwerp. Ds. P. Boshof, van Jacobsdal, was zóó ernstig op dit punt, dat hij mij,—tijdens een bezoek aan 't dorpje, om wat rijst en aardappelen te bemachtigen!—ertoe bewoog, een schrijven aan een of ander hooggeplaatsten persoon omtrent onzen gevaarlijken toestand te richten. Zoo deed ik ook, zonder een antwoord te erlangen—hetwelk ik trouwens ook niet verwacht had. Ik heb echter de satisfactie in deze ook mijn klein woordje in de schaal te hebben geworpen.

Ik herinner mij nog goed, hoe ik mijn vriend Ellenberger in het Hotel te Jacobsdal, waar wij een nacht samen in ééne kamer vertoefden, toeriep:

»Weet je wat? Te Jacobsdal kom ik niet weer slapen. De plek is gedoemd. Als de Engelschen het willen, komen zij er van nacht binnen.”

Nooit weer ben ik daar gaan aardappelen halen! Indien Lord Methuen slechts een groote vertooning van een aanval op onze Magersfontein-posities gemaakt had, dan kon hij heel gemakkelijk met een sterken macht per spoor halverwege naar Enslin 's daags te voren gezonden, Jacobsdal ingestapt hebben. Hoe kon commandant Lubbe met een paar honderd man, zonder kanon of maxim, dat belet hebben? Wie kon hun den weg versperd hebben? Er was niemand, om het te doen. Generaal Cronjé klemde zich aan de Magersfontein-posities vast en hield hardnekkig staande, dat de Engelschen nimmer den spoorweg zouden verlaten. De Vrijstaatsche grens voornoemd bleef dus feitelijk open en bloot en onbeschermd. Methuen of Roberts—wie er het eerste kwam—kon de wandeling naar Jacobsdal, ver voorbij ons linkervleugel, met onfeilbaar succes ondernomen hebben, terwijl Generaal Cronjé op het groote Britsche Kamp van de Magersfontein-kopjes bleef loeren.

Wederom ben ik de diepe zee van critiek over militaire zaken ingezwommen. Neem het mij toch niet kwalijk, lezer. Ik vreesde altoos het ergste in den oorlog en werd door mijne vrienden dikwijls pessimistisch genoemd. Te Jacobsdal trof het mij zeer in die dagen, hoe optimistisch zekere lieden onder alle omstandigheden konden zijn.

Een schoone, lelieblanke deern—luchtig als eene hinde, veelbelovend als de lente, geheimzinnig als een zwellende rozenknop, kwam nu en dan de eetzaal binnen, daar in 't Hotel te Jacobsdal. Een flinke athletische, gezonde jonge man genoot al hare aandacht. Er tintelde een nieuw licht in haar oogen, als zij met hem sprak, en de blos, die van tijd tot tijd hare koontjes bezocht, kan bij onzen rooskleurigen hemel, kort voor de zon verschijnt, in schoonheid vergeleken worden. Arm paartje! Niet lang zouden zij in het Paradijs vertoeven. Het zoete heden zou een vreeselijken morgen baren. Terwijl zij daar zaten, hoorde ik reeds het onderaardsch gerommel van den vulkaan, die er op onze ontbloote grenzen zou uitbarsten. Zij hadden elkander zeer lief, maar het leven is soms zeer wreed. De jonge man is een Vrijstaatsche burger. Te Paardenberg werd hij zwaar gewond en in 't Duitsche Hospitaal, dicht bij het Hotel, blies hij den adem uit.

Ja, dat Duitsche Hospitaal, zoo goed en geriefelijk ingericht, zal weldra veel meer Engelsche, dan Boeren gewonden te verplegen krijgen. De electrische lampen—door een jongen van Alphen, uit Pretoria, voor het hospitaal ingericht—zullen binnen weinige weken hun bleek licht op nog bleeker gelaatstrekken werpen. De knappe, dienstvaardige Duitsche geneesheeren zullen vele gewonden en stervenden van Paardenberg ontvangen. Zonder onderscheid van nationaliteit zullen zij daar behandeld worden. Te zamen zullen Boer en Brit daar lijden en sterven, of genezen en vroolijk worden. Er is geene plaats voor vijandschap en rassenhaat in een hospitaal. Er is slechts lijden, en het lijden moet verzacht en overwonnen worden—hetzij door den geneesheer, hetzij door den dood.

Maar wij moeten naar de tenten van Generaal De Wet en Majoor Albrecht terug.

Het was tegen drie uur in den namiddag, dat de oude geest van nieuwsgierigheid zich weer van ons meester maakte. Wij wilden het slagveld van Magersfontein bewandelen; wij wilden den historischen bodem betasten; wij wilden de teekenen der vreeselijke slachting met eigen oogen zien. Wat is het toch heerlijk om soms met vuur te spelen en wat te wagen! Ter wille van de kunst was de heer Oeder steeds gereed om een ontdekkingsreisje te doen. Van jongsaf aan zat de avontuurzucht mij in 't bloed. Wij stapten naar de »groote sloot”, bekeken die goed voor een korten afstand, en—wipten erover heen, het onbekende te gemoet snellend. De lyddietbommen vielen geregeld op de randjes daar ginder, tegen half vijf of later in den namiddag. Waarom zouden wij dan niet op een interessante expeditie over de beroemde vlakte kunnen gaan?

Ongemerkt dwaalden wij veel verder van de »groote sloot” af, dan wij wisten. De grond was hoegenaamd niet zoo gelijk als wij gedacht hadden. Zoo kwamen wij er bijvoorbeeld op een »zoutpan” te land, waar wij niets van geweten hadden. En het bleek heel spoedig, dat de geheele vlakte naar de Britsche zijde afdaalde, omdat wij van onze grachten niets hoegenaamd konden zien. Wij hielden, echter, de Magersfontein randjes in 't oog, en gingen vroolijk en opgewekt voort. Ledige Lee Metford patronen trokken weldra onze aandacht, en vooral de papieren waarin zij gehuld waren.—Onze burgers raapten er omtrent 46,000 hulsels 's daags na den slag op.—Toen kwamen wij weêr op de haastig gegraven gaten te land, waarin de Berg Schotten lagen te schieten. Zij waren zeer vlak en er was blijkbaar geen tijd of moeite aan besteed. Verder en steeds verder gingen wij in de richting van de randjes totdat wij op de groote, breede, bruine bloedplassen afkwamen. Ach! dat was een vreeselijk gezicht, vooral voor het oog der verbeelding. Het was een volle maand na het gevecht, en daar zagen wij den met bloed gedrenkten bodem duidelijk voor onze voeten: lange, breede, bruine strepen. Hierin werden de arme soldaten in 't gelid door den snellen kogel afgemaaid. Bij hoopen gingen zij naar het Rijk der Schaduwen. In de kracht en de schoonheid der jeugd zonken zij bij honderdtallen in vijf minuten neder—om in deze dorre, droeve deining begraven te worden.

Het werd vier uur: wij moesten terug. Wij liepen het »brakpannetje” voorbij en draaiden langzamerhand wat links, heel op ons gemak, toen er onverwachts een dramatisch tooneeltje uit ons leven begon, dat allesbehalve aangenaam was.

Lyddiet-bommen, pure lyddiet-bommen en geen anderen begonnen er over ons hoofd te regenen!

In een oogwenk vlogen wij er achter een breeden vaalbosch. Andere schuiling was er niet. Geen welkome rots of kraalmuur. Ons eenigste troost was deze: dat geen Engelsch oog ons kon zien, al kon een Engelsche bom ons dwars door het laag en dun hout gemakkelijk doorboren. Een zwakke troost; maar beter dan niets. Een vreeselijke hoofdpijn tastte mij oogenblikkelijk aan—even als op Pepworth's Heuvel—maar ditmaal gebruikte ik mijn verstand kalm en bedaard van den beginne af aan. De bommen vielen geregeld: òf rechts over, òf rechts, òf links van onze onhoudbare positie; maar steeds van twintig tot veertig of vijftig treden van ons af, en dikwijls geheel en al over de helling.

Mogelijk komen wij er nog ongedeerd vanaf. Het geraas o! het gedruisch dier verschrikkelijke bommen. Dat vond ik steeds het ergste vanal. Geen mensch, die eenigszins zenuwachtig is, kan zulk een gekraak en gedreun, gebulder en gedonder voor zijne voeten zonder hoofdpijn doorstaan. Daaraan zou ik in elk geval, nooit gewennen—dat werd mij dien middag overduidelijk. Onze artist was gelukkig phlegmatisch van aard, gelijk het een goed Nederlander betaamt. Hij hield zich bijzonder goed—onder omstandigheden! Of hij echter de groote vuil-gele wolken, die er soms tot drie tegelijk rondom ons uit de verscheurde aarde opschoten, »gelijk een schaap” bestudeerde, betwijfel ik ten zeerste. Ze waren heel mooie wolken, heel lief, bijzonder sierlijk opstijgend; en zoo hoog ook, heel hoog; en zoo vreemd van kleur ook, heel vreemd—het gele der lyddiet het vale der aarde met geweld kussend en omhelzend, ten hemel voerend—»welk een prachtige schilderij voor ons historisch werk, vriend Oerder!”

»Ja wel.... als wij er eens heelhuids vandoor zijn.... maar het ziet er beroerd uit, hoor!” Er werden ook later granaat-kartetsen over ons hoofd geslingerd—ellendige monsters, die boven in de lucht reeds kraken en dan met een oorverdoovend gerommel en gerinkel neerschieten. Hé, dat doet griezelen en grillen. Tweemaal siste er een kogel in het boschje, waartegen wij aanleunden. Wij hielden den adem op. Wij waren hulpeloos en machteloos. Waarheen konden wij vluchten? Waar ons bergen? Lord Methuen had dien namiddag zijne Howitzers ver naar voren gestooten, om tegen de groote sloot te brullen. Niemand had dat verwacht; wij het allerminst. Daar zaten wij in de klem. Foei! ditmaal loopt het avontuurtje veel slechter af dan te Dundee, of Elandslaagte, of Colenso, of bij den Platrand!

Het ergste moet nog komen. De zon daalde achter de westerkimme. Spoedig zou het gordijn voor dezen dag vallen en de duisternis ons omgeven. Wat nu begonnen? Hier blijven?—maar dan loopen wij gevaar in den nacht, gelijk de ongelukkige Skandinaviërs, door het Engelsche voetvolk vertrapt te worden—zulk een schieten met grof geschut gaat immers bij de Engelschen steeds een aanval vooraf!—Tusschen twee haakjes, lezer, is het niet vreemd, dat de Boeren herhaaldelijk als 't ware door Lord Methuen en Buller door zoodanige bombardementen gewaarschuwd zijn: »Morgen vallen wij jullie aan, of anders overmorgen op zijn laatst?”—Opstaan en naar onze liniën gaan?—helaas! als het later wordt, vinden wij stellig bij de »lange sloot” den dood. Men zal ons voor spionnen of nachtelijke aanvallers aanzien—en de vreeselijke Mauser zal een einde aan onze grappen maken.

Terwijl wij alzoo twijfelden, wat te doen, kwam het kanonvuur tot bedaring en ik sprong op:

»Kom! het zal wel gaan. Laat ons nog wat wagen en naar de onzen stappen.”

Zoo lang er nog nu en dan een afscheidsbom neerplofte, liepen wij ver uit elkander, om niet noodeloos de aandacht van een onbekenden veldkijker van achteren te trekken. Later liepen wij zij aan zij in de richting onzer vrienden. De vele vaal-boschjes maakten ons nog meer onrustig omtrent den uitslag van ons waagstuk. Een of andere verziende Boer kon ons uit de verte reeds tusschen het kreupelhout gewaarworden en als de voorpunt van 't Engelsche voetvolk beschouwen. We hadden ongelukkig khaki-kleurige pakken aan. Dat moest er nog bij, tot overmaat van ramp.

»Laat ons zakdoeken waaien”!—viel mij in de gedachte. Wij spreidden onze neusdoeken breed uit, tot scheurens toe, en hielden ze omhoog.

O! het waren angstige oogenblikken. Wij tuurden en tuurden door het schemerlicht, maar konden de sloot niet zien. Wij waren gewis een 800 of 1000 treden, indien niet nog verder, vóór onze liniën gegaan. Elk oogenblik kon onze laatste zijn. Een knal of twee—en wij bijten in het stof.

»Daar zie ik de sloot”—riep mijn vriend uit.

»Wij zijn er door”—antwoordde ik. »De Boeren hebben ons natuurlijk al lang in 't oog. Zij zien veel beter dan wij. En wij leven nog. Dus—alles in orde, Goddank!”

Doodbedaard en innig dankbaar, stapten wij nader. Een burger kwam er op ons toeloopen, opgewonden, toornig. Hij arresteerde ons; ik glimlachte, want er was groote vreugde in mijn hart. Ik wilde gaarne nog wat leven en wij hadden er werkelijk een nauwe ontkoming. Dies loeg ik met een gansch anderen lach dan Saraï van ouds, want ik twijfelde er voor geen oogenblik in mijn hart, dat een of andere burger mij wel zou kennen en ons arrest van korten duur zou zijn.

»Kom aan—naar den Commandant”!—zei de oude, barsch en boos. Mijn lachen stond hem natuurlijk weinig aan. Het was trouwens ook heel ongepast en mal apropos.

»All right, vriend!”—antwoordde ik—»breng ons maar daarheen”.

»Jullie kom van die Engelschen af”—beet hij ons toe, terwijl hij mijn vriend bij den rechterschouder pakte.

»O neen!”—zong ik vroolijk uit—»wij zijn Transvaalsche burgers. Iemand zal ons wel kennen.”

Over de geduchte van Mausers blinkende sloot ging het, terwijl de ernstige boeren ons met onvriendelijke nieuwsgierigheid aanblikten, op weg naar den Commandant.

Onze kwaaie wacht was haastig en opgewonden. »Ik bleef bedaard, och! doodbedaard.”

»Naand! Burgers!”—weerklonk mijn lied over de gracht. »Ken jullie mij niet?”

Doodstil bleven zij allen. Geen woord werd er gehoord. Zij keken ons verbaasd aan: de Veldkornet met de zware hand op Oerder's schouder vóóraan, ik vol prets achteraan. Een vreemd oorlogstooneeltje onmiddellijk na een bombardement van anderhalve uur.

»Kom, maak gauw, wat draai jij nog?”—snauwde de oude mij toe, terwijl ik naar den rand der sloot ging en de burgers een voor een bekeek, of er mogelijk een bekende onder hen te vinden was.

»Ken geen een van jullie mij? Ik woonde zes jaar te Warrenton, lang geleden. Ken jullie mij niet?”

Geen antwoord. Het waren Boshoffers, en ik meende, dat een of ander uit hen mij wel in »de goede oude tijden” mijner werkzaamheden in Warrenton, die aan Boshof grensde, konden gezien hebben. Mijn naam wilde ik, echter, niet noemen, omdat onze onschuld des te treffender zou blijken, als een der burgers dat deed.

Zoo gingen wij voort, totdat wij bij den Waarnemenden Commandant kwamen. Hij stond in de sloot bij zijne dapperen. Vóór dat de Veldkornet een woord kon zeggen, riep hij luide uit:

»'Neer Hofmeyr! Is dit jij? Maar hoe kan jij zoo iets doen? Weet jij dat jullie in die grootste gevaar was?”

Temet sprong hij de sloot uit en greep mij bij de hand—mij bijna van blijdschap de vingeren verbrijzelend.

Het was mijn vriend uit de »goede, oude tijden”, Hendrik Jacobs van Boshof, een man, die mij wel honderd maal had hooren preeken en duizend maal met mij over hemel en aarde had geredeneerd.

Dat was een aangename verrassing en een prettige oplossing van het raadsel: »wie deze twee khaki's met boerenhoeden toch zijn mochten?”

De Veldkornet zag er verlegen uit en wilde om verschooning vragen, maar ik viel hem in de rede, drukte hem de hand en zei:

»Vriend! je hebt eenvoudig je plicht gedaan. Alles is in orde.”

Laat, dien avond kwamen wij te voet bij het kampje van Generaal De Wet aan. Allen waren reeds ter ruste gegaan, behalve Bokkie, die ons met vreugde en warme koffie ontving. Eer wij ons ter ruste begaven, mompelde hij iets omtrent »weggaan van nacht”, maar wij waren te vermoeid en slaperig, om er op acht te slaan.

Toen wij den volgenden morgen vroeg ontwaakten, was het lager spoorloos verdwenen. Later vernamen wij, dat er den dag tevoren een van de bommen tot ver over het kampje in de richting van Generaal Cronjé's lager geslingerd was. Zulk een man is Generaal De Wet!—Nooit overmoedig, onvoorzichtig, onverschillig. Hij vecht om te blijven vechten, zoolang als mogelijk, niet om een naam te maken, als een komeet, en dan van het tooneel te verdwijnen, of liever, als een vallende ster, die in het niet verzinkt, na slechts een oogenblik de aandacht te trekken. Van zoodanige dapperen leest men in boeken en in de couranten—ze zijn onder de Boeren zeer zelden te vinden, want deze hebben een veel ernstiger kamp, een veel edeler worsteling voor 't aangezicht van God en mensch ondernomen.

Eenige dagen later ging ik met »Ladysmith”, vóór een lichte Amerikaansche sjees bespannen, op een tocht om Kimberley. Paarden waren in die dagen al bitter schaarsch, ja onverkrijgbaar, zoo moest ik tot mijn spijt, mijn reisgezel achterlaten en »Lady” inspannen. Het rijtuigje huurde ik van een Ventersdorpschen burger, die er in de slooten te Magersfontein onder de Torren woonde. Hij liet mij weten:

»Je kunt het rijtuig krijgen voor £ 1..... en een van jou boeken over den oorlog.”

Zoo ging ik voort op weg naar Olifantsfontein, waar Hoofd-Commandant Ferreira pas in de plaats van den aftredenden Hoofd-Commandant was opgetreden; in den Vrijstaat werden de Hoofd-Commandanten door den Krijgsraad slechts voor drie maanden gekozen. Een uur rijdens van de plaats kwam een rijtuig mij tegen. Waarnemende Commandant Hendrik Jacobs klom er uit en vertelde mij, dat zekere burger (Venter geheeten), die niet ver van hem in de sloot stond, hem had verteld:

»Dat hij Oerder en mij zag aankomen en voor Engelschen aanziende op ons gemikt had, slechts wachtende, totdat wij zóó liepen, dat hij ons allebei met één kogel kon inrijgen”—toen de Commandant uitriep: »Wacht kerels! moet niet schieten; daar is maar twee man.”

Zoo! Dan zal mijn onbekende weldoener uit Ventersdorp—dank zij een Venter!—nog een dag zijn boek over den oorlog krijgen, als hij nog in het land der levenden is.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings