XV
Reading edition
Na den Slag
Toen het toornig brullen der Britsche kanonnen ophield, snelde ik naar de plaats, waar de »Jameson Kar” en de caissons waren. Tot mijne verbazing, vond ik, dat geen caisson ontploft was, alhoewel er één door een granaat getroffen werd en de nabijzijnde tenten door vele kogels doorboord waren. Veiligheidshalve, echter, werden de ammunitiewagens dien dag onder den heuvel gebracht, alsmede de tenten en rijtuigen. Dicht bij de kar was er een kaffer kraal van losse steenen, alwaar ik Luitenant Henri du Toit vond. Hij was zwaar bij zijn kanon gewond en lag onder een soort afdak, van een paar zinken platen gevormd, te kreunen. Hij opent zijne oogen en herkent mij. Ik vraag hem, of hij wat whisky hebben wil. Hij knikt bevestigend en krijgt een goede teug uit mijn flesch. Of het hem goed deed? Hij was bleek, erg bleek, en had veel pijn. Toen hij weggedragen werd naar ons veldhospitaal (het woonhuis van den heer Pepworth), gaf ik hem nog een zoopje meê. 't Was wel der moeite waard, het kostbare vocht al den weg van Pretoria hierheen te brengen, en mijzelven onder weg te verloochenen.... om zoodanigen velddienst ermeê te kunnen verrichten.
De jonge artillerist, die naast hem lag, was buiten hoop. Zijn voorhoofd werd door een bom getroffen—een akeliger wond heb ik nooit gezien. Daar lag de dappere jongen, als een doode. Men dacht het niet noodig, hem te verwijderen. Waarom den armen, bewusteloozen stervende nog plagen? En toch.... vond men werkelijk nog leven in hem den volgenden morgen! Het geweten en hart van meer dan een werden door deze gruwzame ontdekking pijnlijk getroffen, maar wij willen het hopen, dat de jongeling niet dien nacht tot zijn bewustzijn gekomen is, om zich daar op dien akeligen heuvel eenzaam en verlaten in de ure zijner uiterste pijnen te bevinden.
Dr. Hohls lag in een tent dichtbij: hij was ter ziele, de sterke man, gehuld in den purperen mantel van een edelen dood. In het vervullen van een nobele, zelfopofferende daad, in 't verplegen van een gewonde, ontsliep hij. Kan men een beter uiteinde begeeren?
Aan zijn zijde hijgt een sterkgebouwde Ier pijnlijk om adem. Zijn laatste snik is nabij. Het Iersche corps deed flink werk dien dag: zij hielpen ammunitie voor de kanonnen aandragen en brachten verscheidene offers voor ons land en volk. Boven op Pepworth's Heuvel is er een eenvoudig houten kruisje geplant, de plaats aanduidend, waar twee Ieren begraven zijn. Colonel Blake, die aan het hoofd van hun corps stond, werd door een bomscherf in den bovenarm getroffen en moest lange maanden daarna zijn arm door een draagband ondersteunen.
Bij een onzer Krupp's komend, waar het vuur dien dag zeer heftig was, vond ik een korporaal bij zijn stuk zittend, afgemat, uitgeput, bleek.... met een kleine opening in den rug van zijn opperkleed, waardoor er een straaltje bloed vloeide. Hij was gewond, licht gewond; maar bekreunde zich niet in 't minst daarover. »Komaan, o Stoïcijn van Pepworth's heuvel! een borreltje zal u geen kwaad doen. Drink! vriend! Drink diep en lang!—Gezondheid!” Het mooiste van dien kerel is, dat hij een held was zonder het zelf te weten. Hij had eenvoudig zijn kanon bediend tot het einde toe: daartoe werd hij opgeleid, daarvoor was hij hier. Per ongeluk raakte hem een kogel, maar dat doet niets aan zijn gewone plichtsvervulling toe. Hij blijve dus naamloos, want zoo zou hij het zelf willen hebben.
Overal rond op den heuvel lagen er doode en gewonde paarden en de steenen waren bont en blauw van de duizenden kogeltjes, die er neergeslagen waren.
Terwijl wij er zoo rondliepen, elkander ondervragend en gelukwenschend, werd onze kalmte plotseling opnieuw gestoord.
Een ontzettende knal werd er gehoord, en kort daarop ontplofte een lyddiet-granaat niet verre van ons op den heuvel. Kolonel Trichard, de Staatsprocureur en eenige anderen waren bijna »onder stof!” Een tweede volgde kort op de hielen van het eerste schot. Zij werden allen op Long Tom gemunt. Het waren ontzaggelijke bommen, een schrikwekkend gedruisch makend en groote gaten in de aarde ploegend. Zij veroorzaakten groote ontsteltenis op den heuvel. Generaals en Commandanten waren daar, gezellig koutende, maar elk een moest nu schuiling zoeken. Niemand werd geraakt, maar meer dan een had een nauwe ontkoming dien dag. De projectielen maakten een helsch geluid en groote rotsen werden door ze verpletterd of gespleten. Later eerst vernamen wij, dat zij van de geweldige scheepskanonnen van de »Powerful” kwamen. Die geduchte zeemonsters waren haastig te Durban geland en per spoor naar Ladysmith gezonden, alwaar zij tijdens den slag werden opgesteld en om 2 uur hun krachtige stemmen deden hooren. (Er waren er niet minder dan 6: 2 groote 4.7 stukken en 4 twaalfponders met 288 matrozen.) Zij hebben ontegenzeggelijk goed werk voor de belegerden van toen af aan tot het einde van het beleg gedaan. Dat hadden wij aan ons verzuim in het vernielen van den spoorweg naar het zuiden te danken. In 't licht der latere geschiedenis van den oorlog, is het bijna onbegrijpelijk, dat de Vrijstaters zoo uiterst voorzichtig in deze te werk gingen.
Tegen drie uur in den namiddag eerst, had ik het genot met Kolonel Trichard en Kapitein Bosman een kopje koffie bij den grooten wagen van den Kolonel, aan den voet van Pepworth's, te drinken, en een uur later ons eerste maal te nuttigen. De Kapitein had zich dien dag zeer onderscheiden in het dragen van ammunitie en van gewonden, en de Kolonel werd door een krachteloozen kogel in de dij getroffen. Commandant Grobler van de Ermeloërs had een nauwe ontkoming: een bomkogel wondde zijn paard een paar duim achter den zadel, terwijl de Commandant op den heuvel reed. Onze dooden dien dag telden geen 20 in 't geheel over het gansche vechtterrein, onze gewonden bij de 60. Er was groote drukte dien avond in het groote woonhuis van den heer Pepworth, en ook in andere boerenwoningen dicht bij Ladysmith, die als hospitalen gebezigd werden. Generaal Kock stierf dien dag, niet wetende, wat de uitslag van den strijd was. Men zegt, dat het verschrikkelijk kanongebulder zijn dood verhaast heeft. Over het Britsche verlies zeg ik liever niets, daar ik hun dooden en gewonden niet heb kunnen tellen, en niet de gewoonte van Engelsche schrijvers wil opvolgen, door losweg allerlei groote cijfers omtrent het verlies der tegenpartij op te disschen. (Volgens Conan Doyle was ons verlies omtrent 300 dooden en gewonden.)
Tegen zonsondergang kwamen de prisoniers aangestapt. Zij waren vermoeid van de groote hitte en den langen strijd van dien dag. Ter eere onzer Boeren zij het gezegd, dat de schare van toeschouwers geen geluid liet hooren, toen de lange rij gevangenen hen passeerden. Zwijgend, zelfs medelijdend werden zij aangestaard; maar geen spot- of schimptaal, geen gejuich werd er vernomen. Daar ik zelf onder de menigte toeschouwers stond, kan ik als ooggetuige in deze optreden. Gedurig hoorde ik een onzer Boeren zeggen:
»Arme kerels! Zij hebben er geen schuld aan den oorlog. Zij kunnen het niet helpen, dat zij tegen ons vechten. Zij moeten slechts gehoorzamen.”
Een wonderlijk volk is het Boeren-volk! Op hen vooral zijn de woorden van John Dryden toepasselijk: »Men are but children of a larger growth”. Zij worden gauw weêr goed jegens hunne vijanden. Zij vergeten spoedig met wien zij oorlog voeren. Zij haten niet, gelijk de Europeesche volkeren elkander haten.
Hoort wat George W. Steevens van hen op »Klein Majuba” vertelt:—»De Boeren hadden hunne wraak voor Dundee en Elandslaagte in den oorlog. Nu namen zij die, bij de volle maat.... in vriendelijkheid. Onze gewonden werden naar Ladysmith gezonden; water werd hun door de Boeren uit hun eigen bottels gegeven; dekens van hun eigen zadels losgegespt; muilen voor hospitaalwerk verschaft” enz.
Den volgenden dag (zoo werd mij verteld), zijnde er een wapenstilstand voor dat doel door Sir George White gevraagd, woonden een aantal Boeren de begrafenis der Britsche soldaten op het slagveld van Modderspruit bij, en zongen er een van onze plechtige Hollandsche Psalmen bij het geopend graf. Te zamen bogen Boer en Brit daar het hoofd voor den onzichtbaren Heer der gansche schepping, allen rassenhaat vergetend, alle wraak op zijde stellend. Al zingende werden zij gastvrij van geest en hart, en verlost van alle kleinheid en bekrompenheid.—En toch? Is patriotisme ook niet eene beperking des geestes? Is nationaliteitsgevoel niet een edele bekrompenheid? Zoo is het. Daarom blijven zij steeds Boeren, Hollandsche Afrikaners, een apart volk, »een eigenaardige natie, met heur eigendommelijk karakter, en onder alle omstandigheden en onder elke vlag.”
Een komische gebeurtenis in verband met den Modderspruitslag mag wel vermeld worden. Onze koffieketel, die op 't vuur stond bij den wagen onder Pepworth's heuvel, werd heel netjes door een Engelschen bom of liever door een bomscherf omvergeworpen, met koffie en al natuurlijk. De ketel had een respectabele en eervolle deuk; en onze kok zei droogjes: »Na dit, dacht ik het veiliger, vandaag liever geen koffie te maken.”
Een ander geval is nog treffender. Zoowat een maand na den slag bevond ik mij voor de tweede maal op »Klein Majuba”, toen een jongeling er een Engelsch 10 shilling-stuk uit het stof opraapte. Het muntstuk was in den vorm van een »Heil's Leger Hoedje” gebogen, en lag bij eenige ledige Lee Metford patronen. Na zorgvuldig onderzoek, was het de algemeene opinie, dat het geldstuk door een Mauserkogel in den zak van een soldaat getroffen werd. Een klein teeken aan den rand van het kleine geldstuk wees duidelijk aan, waar de kogel ervan afgegleden was. Afgegleden! Waarheen? Ai, dat is de vraag. In de lucht, of in het lijf van den eigenaar? Of in het lijf van een makker? Wij willen hopen, dat dat 10 shilling-stuk den gelukkigen bezitter ervan gered heeft. Gaarne zouden wij de volledige en ware geschiedenis van dat fraai gebogen goudstukje vernemen. 't Is waarlijk eene curiositeit van den grooten oorlog, die men den tegenwoordigen bezitter (een Johannesburger) wel mag benijden.
Het mooiste incident uit den slag heb ik, echter, uit den mond van Majoor Wolmarans in zijne tent achter Bulwana vernomen. Zijne kanonnen waren op den kruin van een heuvel gesteld (verhaalde hij mij met opgewektheid), die met kreupelhout (boschjes) bedekt was. Tusschen hem en de Engelsche batterijen op den rechtervleugel was er een tweede heuvel, lager dan zijne positie, waarover hij zijne bommen deed vliegen. De Engelsche kanonnen repliceerden, maar tot zijne verbazing vielen hunne schoten allen op den voorsten heuvel. Dus ging hij in volmaakte veiligheid voort zijne granaten en granaat-kartetsen op den vijand uittestorten. De uitwerking erg teleurstellend en demoraliseerend voor de Britsche kanonniers, die alle pogingen tevergeefs aanwendden, om den juisten afstand te vinden. Zij waren zoo dicht bij elkaar, dat de Majoor voor langen tijd dit vreemd verschijnsel niet begrijpen kon. Later werd hem alles duidelijk, vervolgde hij, toen hij het terrein waarop de Engelschen waren, persoonlijk bezocht. De heuvel, die vóór zijne positie was, scheen deel uit te maken van den achtersten heuvel. Beide heuvels hadden precies denzelfden vorm; beide waren met dezelfde boschjes begroeid; zij geleken op één heuvel van de plaats, waar de Engelsche kanonnen waren. Geen wonder dus, dat de vijandelijke bommen allen te kort vielen. Zij werden allen tegen een stommen heuvel gericht: een kordaatstuk aan den woesten aanval van den heldhaftigen Ajax op eene kudde schapen herinnerend! Wie kan zeggen, hoe veel dit zoogenaamde toeval tot de totale nederlaag van den Britschen rechtervleugel heeft bijgedragen.
Dat Generaal Joubert met recht blij en trotsch was over het gedrag zijner manschappen en den uitslag des strijds, behoeft niet gezegd te worden. De vreemde attache's schudden wel hunne hoofden, zeggende: »Waarom zijn de Engelschen niet in de flanken bij hun terugtocht aangevallen? Waarom niet de stad dien namiddag nog ingenomen?”—maar zij vergaten, dat onze commando's uit gewone burgers en niet uit gehuurde troepen bestonden. Tot zulke dingen zijn onze menschen niet in staat: dat heeft de oorlog gedurig bewezen. Zij waren maar te blij, om wat rust en voedsel en koffie weer te krijgen, na de ontzaggelijke hitte en vermoeienis en de gevaren van dien dag. Morgen, of overmorgen, zouden zij verdere plannen maken; vandaag niet. »Elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.”
Dan, Talana Heuvel en Elandslaagte waren nog versch in het geheugen. Was het te Modderspruit met ons verkeerd afgeloopen, dan was de oorlog spoedig tot een roemloos einde voor de Republieken gekomen. Want ziet! Het plan van Sir George White was: Pepworth's Heuvel als met eene reuzen-schroef vast te knellen. Zijn rechtervleugel moest door onze gelederen (tusschen Lombards Kop en Generaal Burger's positie) breken, terwijl zijn centrum alle onze krachten ter zelfverdediging eischten. Intusschen zou Colonel Carleton om onzen rechtervleugel werken, of dien terugdrijven, en alzoo Pepworth's Heuvel tusschen de twee groote, lange, ijzeren armen van de schroef gekomen zijn. Onze beste stukken waren daar. Ons groote Long Tom was daar. Het verlies van dien heuvel zou ontzaggelijk demoraliseerend voor de federalen zijn geweest. Het grootste Boerenleger was thans om Ladysmith—ongeveer 7000 man—Sir George had een 12,000 man ter zijner beschikking. Volgens het algemeen oordeel der beschaafde wereld, moest hij ons met wortel en tak dien dag hebben uitgeroeid. In plaats van dat te doen, echter, moest hij met pak en zak Ladysmith binnenvluchten en ruim 1000 prisoniers met eenige bergkanonnen en maxims in onze handen laten.
Generaal Joubert vond dat genoeg, vooreerst. Hij was tevreden. Hij was gelukkig. Hij dankte God voor eene groote verlossing. Nooit heb ik den grijzen Staatsman, Patriot en Krijgsman—met
Een hoofd vol kreuken, een geweten zonder rimpel
zoo stralend van vreugde als dien avond gezien. 't Was zijne victorie, par excellence, roemrijker dan Laing's Nek, of zelfs Majuba!
»De Artillerie heeft zich goed gehouden en verdient allen lof”—seinde de Commandant-Generaal dien dag naar President Kruger. Zoo was het ook. Tot hiertoe hadden de boeren smalend en schouderophalend over de Artilleristen gesproken. Tot hiertoe hadden zij met verachting op kanon en maxim neergezien, terwijl zij al hun geloof »in God en hun Mauser” vestigden. Op 30 October vond er eene openbaring voor hunne oogen plaats. Zij stonden verstomd over de koele, bedaarde dapperheid en het goed mikken en treffen onzer kanonniers. Van toen af aan hadden zij den mond steeds vol van den lof der flinke Artillerie-kerels. Modderspruit was inderdaad eene apotheosis voor de vroeger miskende Artilleristen en de Artillerie.
Nog iets: ook de Johannesburgsche Politie gedroeg zich bijzonder knap dien dag. Hun Commandant werd in de heup gewond, maar bleef op het slagveld bevelen gevende. Een Luitenant liet het leven bij Nicholson's Nek. Nog 13 man werd er uit hun gering getal gewond. Nu, de Heidelbergers en de Heilbronners b. v. telden ook even veel gewonden dien avond; maar de Politie kwam van verren afstand, in gelid, in volmaakte orde, man voor man op zijn plek,—om zich in het strijdperk te werpen. Dat was het kenmerkende van hun werk. »Geen klauw bleef er achter!” Er was orde, tucht, gehoorzaamheid in dat corps. Geen willekeur, geen persoonlijke grillen, geen individuëele dapperheid of lafhartigheid kon onder hen alles redden—of ook wel alles verongelukken. Generaal Joubert was met recht tevreden met zijn burgers, maar vooral trotsch op zijn reservecolonne.
Hoe vele »achterblijvers” waren niet te Talana Heuvel? Hoe veel verwarring was er niet te Elandslaagte? Goddank! te Modderspruit ging het veel beter. De Republikeinen bedekten zich niet slechts met roem, maar zij wonnen vooral in zelfrespect en zelfvertrouwen. Ons prestige, ons moraal was volkomen gered: Colenso en Spionkop werden mogelijk!