XXII
Reading edition
Naar de Tugela
Het begon ons weldra boos te vervelen bij Ladysmith. Onze voornaamste vijand was: de kleine Natalsche vlieg, koppiger dan eenig ding in de wijde wereld. De hitte werd ook al meer ondragelijk. Wij bezochten vele lagers, en vonden, dat lusteloosheid de algemeene kwaal was. De mannen van intellect en energie waren bepaald ziek van dat nietsdoen en werden somber en neerslachtig wanneer zij aan de toekomst dachten. De groote meerderheid der burgers, zijnde vaders van huisgezinnen en boeren, bezonnen allerlei plannen om een »verlofbriefje” meester te worden. Slechts de »arme blanken” waren in een Paradijs. Voor hen was de omgeving van Ladysmith »een land van melk en honig”—er was overvloedig versch vleesch en gedroogd brood, koffie en thee en galore, tabak ad libitum alles gratis, en een lui lekker leven ad infinitum—naar het scheen. Ze waren er allen van top tot teenen in nieuwe kleederen gestoken. Er werd oorlog gemaakt! »Wat een aardig geval!” Hoe langer het duurde, hoe beter. Voor de eerste maal in hun leven waren zij bij eene plek aangeland, waar er »genoeg” van alles was: zoo als zekere oude vrouw uitriep, toen zij voor 't eerst bij den oceaan kwam.
In de eerste week van December gingen wij op reis naar de Tugela, waar Generaal Louis Botha bezig was zijn commando's voor den grooten aanval van Generaal Buller voortebereiden. Generaal Lucas Meijer was nog ongesteld te Pretoria, en zijn mantel viel als van zelven op zijn jongeren wapenbroeder en vriend, wiens magnetische persoonlijkheid, dapperheid en buitengewone populariteit hem als de beste man om te Colenso den post van gevaar en van eere te vervullen aanwezen. Hem werd het opperbevel over de federale machten aan de Tugela opgedragen en hij was inderdaad »de rechte man op de rechte plek.” De Regeering had even veel vertrouwen in hem als de Commandant-Generaal had, en de burgers in 't algemeen kleefden hem aan. Hij werd weldra de Held van de Tugela.
Wij gingen per bicycle tot aan het Artilleriekampje van Majoor Wolmarans, achter Bulwana Berg. Opweg maakten wij een korte halt bij het Middelburg lager, dat toen op 't punt stond naar de Tugela verplaatst te worden. Een fraaie schets en een paar nieuwe laarzen werden door mijn vriend daar in der haast opgedaan.
Het orakel werd aldus bewerkt:—Bij elk lager was er eene tent of soms ook eene kamer, die als een »Algemeene Kleeren en Schoenen Winkel” onder toezicht van een paar burgers gedreven werd. Daar moet de behoeftige burger aankloppen en zijn nood klagen. Niemand kreeg er echter iets zonder een bewijs te teekenen, de ontvangst van een pak kleeren of een paar laarzen enz. erkennend, met den naam van zijn commando en veldkornetschap erbij gevoegd. Onze artist had verbeeldingskracht genoeg, om zich als tot »het commando van Generaal Joubert” behoorende aantemelden. Het maakte effect, en het zaakje liep flink van stapel. Inderdaad was onze Transvaalsche Washington ook de eenige authoriteit waarop wij ons in dergelijke gevallen steeds beroepen konden, daar ik de volgende kennisgeving van hem in mijn zak droeg:
Hoofdlager, 30 October 1899.
Aan alle officieren, burgers en ambtenaren. Zij het mits dezen kennelijk, dat de heer N. Hofmeyr met mijn verlof en toestemming de verschillende lagers bezoekt en van een en ander merkwaardige gebeurtenis aanteekening houdt.
P. J. Joubert.
Er vloeide een machtige stroom van kleederen en schoenen, uit Pretoria en vooral uit Johannesburg naar de vele lagers. De Z. A. S. M. stoomde op en af, door Britsch gebied en met Britsche kolen, waar zij dit noodig had; maar het geroep bleef altoos: »Nog meer! Nog meer!” De behoeften aan kleeren was onverzadigbaar. De groote winkels van Johannesburg—vooral de verlatene—werden een na den ander geopend en geledigd, op last der Regeeringscommissie van 't Commissariaat. Achter valsche muren, onder valsche vloeren, boven het plafond en uit alle mogelijke en onmogelijke bergplaatsen werden de goederen gehaald en naar 't front gezonden. De heer Japie Cilliers, 't wakkere Hoofd der Commissie in de goudstad groef er eens een 30,000 wollen hemden uit één enkele schuilplek op! Alles stroomde naar de lagers, maar de lagers hadden nooit genoeg. De Commissie werd radeloos. 't Was haar alsof zij water in een mand droegen. 't Ging haar als de dochteren van Danaüs in de onderwereld. Al de rivieren stroomden in de zee (van burgers), maar de zee werd nimmer vol. Eindelijk vond men de lekkage uit: er waren vele vroolijke kornuiten onder de burgers, die een rekbaar geweten er op na hielden, en gedurig op verlof naar huis keerden met welbeladene kleerenkoffers, die toevallig zeer leeg naar het front met hun eigenaars telkenmale terugkeerden. Geen wonder dat de dam nooit vol liep: er waren heel wat gaten in den wal. Voorwaar, menig dappere zoon des lands zal het na den oorlog zeer moeilijk vinden, om weer hard te werken voor de noodige contanten—voor broek en hemd, jas en stevels, kost en tabak.
Een paar aangename dagen werden door ons bij Majoor Wolmarans doorgebracht. Hij was een onzer beste en knapste Artillerieofficiers. Jong en sterk, zonder eenige airs en inbeeldingen sliep hij op den harden grond met zijne tentgenooten. Zonnig en gezellig van aard, werd hij door allen bemind. Kalm en kloek in het hevigste vuur, werd hij door onderofficieren en manschappen gerespecteerd en vertrouwd. Matig in leefwijze, gematigd in taal, meester van zijn vak, schoon en welgevormd, was hij een sieraad voor 't Artillerie-Corps der Zuid-Afrikaansche Republiek. Veel hebben wij samen gesproken en besproken. De Majoor had een helder en gezond inzicht in zake den grooten strijd, waarin wij gewikkeld waren, en betreurde gedurig het gemis aan de noodige samenwerking en solidariteit tusschen en onder onze burgers en officieren. De toekomst was hem niet helder, omdat wij niet genoeg esprit de corps hadden.
Den langen kronkelenden weg naar den top van Bulwana hebben wij te paard afgelegd. Het nam ons bijna een uur rijdens. Welk een werk voor onze Artilleristen en burgers! Een groot span sterke ossen trok het groote vestingkanon op dien hoogen berg. Daar er overvloed aan helder water boven op was, kon Sir George White er gemakkelijk een onneembaar fort opgebouwd hebben, vanwaar hij het belegeren der stad ten zeerste kon belemmerd en onze communicaties met de Tugela bijna onmogelijk gemaakt hebben.
Het uitzicht van Bulwana was verrassend ruim en schoon. Al de Engelsche forten en Boerenposities waren duidelijk te zien, alsmede de stad en het schijnbaar verlaten kamp er vlak boven liggend. De talrijke kronkelingen van de Kliprivier konden wij met het oog gemakkelijk volgen en naar het zuiden verhieven zich de hooge bergen en bergtoppen, die thans zoo historisch geworden zijn, terwijl de reusachtige Drakensbergen een prachtigen achtergrond voor de majestueuse schilderij vormden.
Naar Colenso ging het op een open »trolley” (rolwagen)! Er was geen betere kans om daar te komen. De weg liep over steile bergpassen en onze wielen waren cadux. Met een overjas en een paar blikjes vleesch gewapend, sprongen wij op het stampende en hortende rijtuig, vrolijk als schooljongens, die op een expeditie in het veld uit zijn. De weg—spreek mij niet van een weg!—was niets anders dan het oude, lang vergetene, ongebaande, ongebruikte pad der Voortrekkers, uit de dagen toen Natal nog eene Republiek heette! Andries Pretorius, vader van den eersten Transvaalschen President, heeft dat pad meer dan eens bereden. Maar dat gebeurde in 1838 en 1840! Door de Kliprivier, die nog al lastig vol kan worden, links voorbij Pieter's station, over Pieter's hoogte, door Groblerskloof werden wij op ongenadige wijze geschommeld en gekneusd. Later heeft de Z.A.S.M. een locomotief te Johannesburg uit elkaar gehaald en tot aan Pieters vervoerd (geen kleine taak!), alwaar er een goederentrein minus machine door de Engelschen werd achtergelaten, zoodat Sir George White uit zijn luchtballon op een dag met verbazing een heele, levendige trein, door Natalsche kolen gedreven, van het tweede spoorwegstation op den lijn van Ladysmith naar Colenso kon zien stoomen! »Hm.... die domme Boeren.... zoo vuil en ongekamd ook.... met hun vervl.... taal—wat drommel doen zij daar nu weer?”—kon hij wel dien dag tot zichzelven gezegd hebben. »Het was een aardig geval” voor de belegerden: treinen dagelijks van het noorden tot dicht bij de stad stoomend, en dan (gelijk sommige rivieren) verdwijnend ... en weer te Pieters plotseling opdoemend—vol voedsel en ammunitie?
Voort gingen wij in de brandende zon. Het was een eindeloos gesukkel, want we hadden er zes van de luiste muilen in een lui land te vinden vóór het onbarmhartige rijtuig. Van Pietersstation af aan heeft elke duim pads zijn eigen steen, of gat, of sloot. Het gedruisch van ons wagentje was als dat van een pom-pom in een gevecht. Maar wat gaven wij erom? Wij wilden Colenso en de Tugela zien! Wij kwamen de leêge Onderbroekspruit (een naam om Quintilianus te doen verstommen!) veilig door en reden verder tot aan het Artilleriekampje van Kapitein Pretorius.
Binnen een uur zou de zon achter den horizon verdwijnen, maar wij waren te ongeduldig, om daar voor den nacht te vertoeven. Naar de Tugela! Naar de Tugela! wilden wij. De avontuurgeest had zich van ons meester gemaakt en wij waren niet te keeren. Te voet ging het nu verder naar de groote wagenbrug bij Colenso, een goed half uur loopens van het kampje, om ergens in het ons onbekende Colenso een herberg voor den nacht te zoeken. Als twee landloopers zagen we er uit. Wij wisten niets omtrent het dorpje, waarheen wij gingen. Wij vroegen niets omtrent de positie onzer buitenposten. Het onbekende, het onzekere, het vage verhoogde slechts de pret.
Eindelijk zijn wij bij den breeden stroom, die er zoo statig en onbekommerd henenvloeit, alsof er niets buitengewoons op zijne oevers gaande was, alsof het treffendste drama van den ganschen oorlog—de worsteling tusschen Buller en Botha—niet aan zijne zoomen zou opgevoerd worden. Morgen zullen wij ons in de historische wateren baden, vanavond moeten wij een herberg zoeken. Aan de overzijde der rivier kwamen een paar Boeren ruiters ons tegen: zij waren op weg van Hlangwane-heuvel naar hun lager. Uit een gesprek met hen bevonden wij, dat er een Boerenvoorpost op genoemden heuvel was, maar geen enkele wacht te Colenso of ergens anders ten zuiden der rivier. Daar Hlangwane nu in een gelijke lijn met het Artilleriekamp van Kapitein Pretorius was, wegens een groote noordwaarts uitschietende bocht in de rivier, waren wij wel een mijl of drie nader aan de Engelsche voorposten dan onze medeburgers op dien Kop gestationeerd. Dat was minder geruststellend dan interessant voor ons, maar wij waren nu eenmaal zoo ver gekomen, dus—voorwaarts, marsch!
Er kwam een vreemd gevoel in ons op, toen de ruiters ons »Goei'n Na'nd” toeriepen. Wij waren alleen in een vreemd land, in een vijandig land. Er mocht wat gebeuren vannacht in Colenso. En dan?—De coolies in het dorpje staarden ons verbaasd aan, terwijl zij ons den weg naar het station aanwezen, waar wij eene kamer hoopten te vinden. Het huis van den chef was heel schoon van buiten, maar van binnen—zoo als gewoonlijk—tamelijk gespeend op het punt van meubelen. Een dubbele bedstede, zonder matras, kon ons echter voor éénen nacht wel dienen; in de keuken maakten wij koffie (van de coolies gekocht), en met een paar stukjes vleesch in de maag begaven wij ons ter ruste. Eene geur van jodoform vervulde het gansche huis, dat blijkbaar als hospitaal kort te voren gediend had, en onze eetlust werd daardoor niet verbeterd. Gelukkig hadden wij een fleschje eerste klas »Scotch” meegebracht, dat veel kwaads bedekte—en 't was alles zoo romantisch, zoo nieuw, zoo origineel, zoo avontuurlijk, dat....
»Maar! Als de Engelschen eens vannacht op ons afkwamen?”—opperde mijn vriend. »Of als de Coolies het in den zin krijgen, om ons te komen vermoorden?”
Ik gevoelde mij inwendig alles behalve op mijn gemak, maar was mijn Dundee- en Pepworth-les niet vergeten. Grootpraten is de helft der Victorie! Dus:
»Gunst! man! bent je gek? Niemand zal ons vannacht plagen. Geloof mij. Ik verzeker het je.”
Alzoo bezwoer ik de booze geesten der verbeelding in mijn vriend en (onder ons, lezer) in mijzelven. Wij keken tusschenbij, echter, zoo ongemerkt door het venster onzer kamer, die direct naar het zuiden zag, waar de Engelschen waren.
»Maar, veronderstel eens dat er gevaar komt”, vervolgde hij, »wat zullen wij doen?”
»Al langs den spoorweg hard loopen en op de eene of andere wijze door de rivier zien te komen. Dat 's het minste!”
Ik wist er niets vanaf, maar volgde het voorbeeld van alle goede Generaals, die steeds veel meer gesteld zijn op den moed hunner troepen, dan—wel, laat mij het maar uitspreken—dan op de waarheid. En waarom niet? Een goed Generaal wil den naderenden slag winnen, niet waar? Wel, als de naakte waarheid den moed zijner manschappen zal doen zinken, is de onderdrukking ervan dan niet de beste politiek om te volgen? Kan een verstandige Generaal zijne manschappen in zijn vertrouwen nemen? Moet hij niet soms de waarheid vermijden, om een nederlaag te voorkomen? Ja, zijn er niet oogenblikken denkbaar, wanneer een verhaal omtrent eene overwinning, die bloot op de verbeelding gegrond is, noodzakelijk mocht zijn? We zeggen het niet: we vragen het maar!
Wat is de mensch toch een zonderling wezen! Zoo groot en toch zoo klein. De verbeelding, bijvoorbeeld, is een van de heerlijkste schatten zijns geestes. Zonder verbeelding is godsdienst of kunst mogelijk, noch begrijpelijk. Zonder verbeelding is de taal denkbaar, noch bruikbaar. Diezelfde verbeeldingskracht, echter, maakt ons soms tot de grootste lafaards en de ellendigste aller schepselen. De groote Napoleon kende de onmetelijke macht der verbeelding. Welke edele rol liet hij de verbeelding onder zijne troepen niet spelen! »Uit niets” moet een goed Commandant gedurig »eene wereld” scheppen. Zoo lang zijne manschappen met een geest van geloof en moed bezield zijn—al zijn al de feiten tegen het behoud van zoodanigen geest—kunnen zij wonderen van dapperheid en volharding verrichten. Zoodra die geest verdwijnt (al zijn de feiten ook er voor), valt zijn leger, bij den minsten tegenstand, in duigen. Geen wonder dus, dat er in oorlogstijden allerlei leugens—moedgevende, patriotische, schoone, bezielende leugens!—de ronde doen. Geen wonder, dat er ook wel schijnoverwinningen gefabriceerd worden om werkelijke zegepralen voor te bereiden. Het ὁι πολλοι, het gewone volk, dat vecht, moet van overwinningen en hoopvolle gebeurtenissen hooren, anders verdwijnt de moed, de vechtgeest. Wat nu gedaan, als er geen gunstige feiten zijn? Ze moeten uit niets getooverd worden! 't Is pijnlijk, vernederend, onzedelijk, verachtelijk.... maar gebeurt het niet overal en altoos, waar er met wisselend fortuin wordt oorlog gevoerd? We vragen het maar: we zeggen het niet!
Met die filosofische paradoxen heb ik, echter, mijn vriend dien avond niet lastig gevallen. Natuurlijk niet. Ook vraag ik den lezer, en bij name alle deskundigen op krijgsgebied om verschooning voor deze afwijking over zaken, die eigenlijk niet in mijn kader passen. Wat verstaat een gewone burger, een leek op oorlogsgebied, van zulke diepe dingen?
Wat er van ons dien nacht geworden is?—Wij werden wel degelijk aangevallen! Onze bestormers waren geducht en hardnekkig ook. Hun getal was legio. Ook waren zij geen bloote scheppingen der verbeelding, lezer. O neen! Ze waren levende, koppige wezens, die ons geen rust gaven. Lang hielden wij den strijd vol. Eindelijk moesten wij zwichten. De overmacht was te groot, de strijd te ongelijk—even als het later met de Federalen in 't algemeen het geval was. Moedeloos, verslagen, gedemoraliseerd, vol puisten en pijnen, lagen wij er onder het bed op den harden vloer—ons laatste wanhopige manoevre, die door een flank beweging van beide kanten verijdeld werd—want geen sterveling kan het tegen de moskieten der Tugela des zomers volhouden.
Wij sliepen niet. Wij spraken niet. Wij lagen er eenvoudig—elkeen zijn eigen toorn, »zijn eigen rook—à la Thomas Carlyle—slikkend”.
Vroeg den volgenden morgen verlieten wij het onherbergzame huis, om de groote spoorwegbrug, die pas door dynamiet vernield was, te zien en te teekenen, en ook (sotto voce, lezer) om een weinig nader aan onze menschen te zijn, want wij wisten niet wat er elk oogenblik mocht gebeuren. Vandaar ging het langs de rivier op naar de wagenbrug, om er een heerlijk bad te nemen, en toen retireerden wij naar de tent van Kapitein Pretorius. Hij wordt als de »beste schutter” met het kanon onder onze Artillerieofficieren gerekend. Wat hij onder schot krijgt is »er bij”. Hij is onze »fancy shot”—zoo als Luit. Mike du Toit mij eens zei. Schraal en slank van postuur, met fijn gesneden gelaatstrekken, en een soort van franschen bokkebaard, ziet hij er nogal aristocratisch uit. In den omgang is hij stil—toch aangenaam; een man van daden, niet van woorden; steeds op den achtergrond staande, maar nolens volens op den voorgrond tredend. Zijn solied karakter, zijn moed en onmiskenbare talenten wonnen hem spoedig de bewondering der burgers in 't algemeen en het vertrouwen van Generaal Louis Botha in 't bijzonder. Zoek hem met zijn onfeilbare vuurmonden steeds in de nabijheid van gemelden Generaal. Destijds had hij er twee Creusot's en een Howitzer en Pom-pom onder zijne zorg. Daar zat de jonge Transvaler, doodbedaard en kalm, met ijzeren zenuwen, de geduchten Buller met zijn 30 Veldstukken en niet minder dan 16 Scheepskanonnen bij de beroemde »rooikopjes” boven Colenso aftewachten. Hoe Pretorius zijn werk op den 15den December verricht heeft, is aan de gansche wereld bekend. Op dien dag, echter, was er ook nog een Creusot veldkanon op onzen rechtervleugel en een tweede achter ons centrum geplaatst, terwijl de onzichtbare Mausers eigenlijk den bestormers het grootste kwaad aandeden.
Misschien is deze de plaats, om eens voor altoos te verklaren: dat al dat praten over vreemde officieren onder onze Artilleristen puur onzin is. Wij hadden eenige Duitsche onderofficieren, zoo als de Tweede Luitenants Groothaus en Oelofse bijvoorbeeld, maar die waren al jaren vóór den strijd in onzen dienst, en zullen de laatsten zijn, om te zeggen, dat zij onze Majoors en Kapiteins en Luitenants hebben leeren schieten. Onze beste Artillerieofficieren waren ontegenzeggelijk geboren Transvalers (uitgesloten Majoor Albrecht, die den Vrijstaat onschatbare diensten bewezen heeft en bij »de twee Rivieren” vooral uitmuntend werk deed). Kapitein Schiel heeft niets met de kanonnen te Elandslaagte te doen gehad; de Villebois stond eenvoudig met bewondering bij Colenso toe te kijken, hoe onze burgers en Artilleristen zich van hun respectieve taken kweten; de heer Léon stelde slechts de Long Toms op hun »platforms,” en zelfs Majoor Albrecht was ruim twintig jaar in den Vrijstaatschen dienst, eer de ongelukkige oorlog begon. Al het schieten met de kanonnen, overal en in elken slag, was het werk van de gewone, bekende leden van de Artillerie Corps (meestal jonge boerenzoons) der twee kleine Republieken. Er is zelfs iets ironisch in die bijtende aanmerkingen in Engelsche bladen en boeken, omtrent de hulp door Europeesche, vooral Duitsche en Fransche Artillerieofficieren aan ons betoond. Hadden wij liever wat meer notitie van die Europeesche deskundigen genomen! De Boer denkt temin van den zoo genaamde deskundigen! Hunne raad werd zelden gevraagd, en, indien gegeven, bitter weinig opgevolgd. Tot ons schade en nadeel—zagen onze Officieren die Europeanen gewoonlijk over het hoofd.
Gehoord hebbende dat mijn oude vrienden van het Ermelo-commando, op onzen rechtervleugel aan de Tugela lagen, stapten wij daarheen in de brandende hitte van dien zomerschen dag. 't Was eene wandeling van goed drie kwart uur, maar wij werden beloond door volop kost en een hartelijke ontvangst. Commandant Grobler gaf ons wat koffie en beschuit—of wij niet honger dien dag hadden!—en de heer Tobias Smuts was ons tot gastheer voor de weinige dagen, die wij daar mochten doorbrengen.
Dienzelfden avond nog vond er een impromptu, publieke vergadering, in het Ermelo-kamp plaats. Generaal Daniel Erasmus was van het Hoofdlager bij Ladysmith met een telegram van Generaal Joubert—toen op een ziekbed te Volksrust—overgekomen en Generaal Prinsloo vergezelde hem. Het geschiedde alles bij het licht der sterren en zonder eenige formaliteit. Men hoorde een geroep van: »Vergadering! Burgers!” en die lust had, ging naar de plaats, waar er een klein klompje reeds bijeengekomen was. Het klompje wies aan tot een vrij groot heir, en Generaal Erasmus nam het woord. De voornaamste punten waarop de Commandant-Generaal in zijn boodschap aan de burgers wees, waren: (a) de aanstelling van mannen als de burgers Fourie en Tobias Smuts—die later beiden tot Vecht-Generaals verhoogd werden—en andere geschikte burgers, ter assistentie der Generaals in 't gevecht, en (b) de keuze van een korporaal door elk klompje van vijfentwintig (min of meer) burgers van elk veldkornetschap, die als voorman van die kleine afdeeling in den strijd kon optreden. Alzoo werd de Boer allengskens wijzer, terwijl hij oorlog voerde, en kwam er langzamerhand orde en regel onder onze losse en onsamenhangende gelederen.
Generaal Prinsloo sprak ook een kort woord, dat nog al puntig en krachtig klonk. Hij was een korte, breede, gezette man, min of meer van hetzelfde postuur als Generaal Joubert en Generaal Cronjé—een typische patriarchale »vader in Israël”, zeer vroom en uiterst eenvoudig. Hij had echter noch het brein van een Joubert, noch het vuur van een Cronjé. Niemand echter, zou in die eerste dagen zulk een pijnlijk aftreden van 't oorlogstooneel als te Fouriesburg (onzaliger nagedachtenisse!) in hem hebben tegemoet gezien!
De heer Tobias Smuts was in vele opzichten het tegenovergestelde van al de andere Boerenofficieren. Hij was kort en daarbij schraal, klein en fijngevormd; blond van kleur als Piet de Wet en voorzien van dezelfde azuren oogen. Daarbij echter was hij een man, die een degelijke opvoeding had genoten—te Stellenbosch en elders—en zich zeer goed in beide, 't Hollandsch en 't Engelsch, kon uitdrukken. Aan zijne persoonlijke dapperheid twijfelde niemand, aan zijne voorzichtigheid, zijn beleid en zijne helderheid van geest nog minder; maar de magnetische persoonlijkheid van Generaal Botha had hij niet. Uit zijne pen hebben wij een verslag van het Colenso-gevecht ontvangen, dat later in dit werk zal opgenomen worden. Van hem ontving ik ook een »Leven van Washington” in 't Engelsch, dat ergens op den tocht om Estcourt werd opgeraapt en mij en anderen later veel troost verschafte. De naam van Generaal Louis Botha was toen reeds op aller lippen. Jong als hij was (tusschen 35 en 40), werd hij door oud en jong bemind en geacht. Ongelukkig vonden wij hem niet in zijne tent—zoowat een half uur te paard van 't Ermelo-lager—toen wij hem den volgenden dag gingen bezoeken. Hij was druk bezig persoonlijk het terrein te bezoeken en te onderzoeken, en zich alzoo voor den grooten schok van het zuiden klaar te maken. Sterk en gezond, werkte hij in die dagen reeds zooals weinige Generaals het hem kon nadoen. Daar hij nog jong en onervaren was, ging hij steeds met zijn oudere wapenbroeders te rade. Ootmoedig en bescheiden van aard, raadpleegde hij mannen als Generaal Burger, Colonel Trichard en Generaal Daniel Erasmus, in verband met de door ons op te nemen stellingen te Colenso. Mogelijk is het aan dit ééne feit vooral te wijten, dat hij zelfs door zijne medeofficieren geacht en bemind werd. Alle jaloezie en naijver en achterdocht smolten weg voor zijn hartelijke, nederige, eerbiedige houding jegens zijn medegeneraals. Generaal Botha heeft wonderen in den oorlog verricht: dit laatste is, onzes erachtens, niet het kleinste!
Ver naar het zuiden, rechts van Frère-station kon men in die eerste dagen van December met een goed Zeiss veldkijker de heuvelen zien, waar Generaal Buller zijne legertrossen verzamelde. De tijd om deze concentratie van troepen te beletten, door de communicatie met de zee aftesnijden, was voorbij. Met vastberadenheid en moed wachtte de Boer toen den naderenden storm af. Zijn talent voor wachten en zelfverdediging was altoos zijn sterke zij: aan de oevers der Tugela zou dat weêr schitterend bevestigd worden. Onze verkenners kropen 's nachts tot na aan het vijandelijke kamp (Kapitein Ricciardi bijvoorbeeld, een dappere Italiaan, die door Generaal Botha zeer geprezen werd), en waren van oordeel, dat het nog eenige weken kon duren, eer er een slag te Colenso zou plaats vinden. Dit was ongelukkig voor de twee landloopers, om redenen die hier niet behoeven genoemd te worden, van het Tugela-tooneel moesten verdwijnen naar Pretoria, om vandaar een nieuwe expeditie naar Magersfontein te ondernemen.
Toen wij met leedwezen onze vrienden aldaar verlieten, waren er reeds eenige duizenden kloeke burgers vergaderd. Generaal Andries Cronjé (Winburg) hield ver naar het westen voorbij Trichardsdrift de wacht op ons uitersten rechtervleugel, en dicht bij de Ermeloërs zagen wij de lagers van Standerton, Vrijheid en Wakkerstroom; terwijl die van Krugersdorp, Heidelberg, Zoutpansberg, en de Swazieland Politie in de richting van den spoorweg zich uitspreidden. De tenten blonken er in de zon bij honderdtallen—in die dagen had men reeds de tenten, te Dundee genomen, in gebruik, alsook anderen uit Pretoria en Johannesburg verzonden;—de zware wagens kwamen met een geweldig geruisch over het oude bergpad aanrollen—een duidelijk teeken van het zelfvertrouwen, dat er toen reeds in onze gelederen heerschte: een zelfvertrouwen, dat slechts de keerzijde van vertrouwen op God bij de meesten was.