← Table of contents
Zes maanden bij de commando's

XVIII

Reading edition

Een Bicycle Rit

Tegen het midden van November ging ik voor de tweede maal naar de Natalsche commando's. Ditmaal nam ik een bekenden jongen kunstschilder, den heer F. H. Oerder, met mij meê, die gaarne het een en ander in verband met den oorlog wilde zien en teekenen. Zoo gingen wij dan samen per trein, onze wielen (bicycles) meênemende. Ons plan tezamen een geïllustreerde Geschiedenis van den Oorlog3) in 't licht te geven, en wij stelden ons voor groote dingen met behulp dier fietsen uitterichten. Nooit weêr echter, zullen wij per bicycle het heuvelachtige Natal met zijn slechte paden bezoeken. Wij hadden er genoeg aan, toen wij Dundee verlieten!

In plaats van de groote zware Mausers, waren wij van de geriefelijke en toch gevaarlijke Mauserpistolen voorzien. Het zijn heerlijke wapens, die tegelijk ook als geweers kunnen gebezigd worden en tien kogels duizend treden ver in eenige seconden kunnen werpen. Wij gingen naar Natal, om de slagvelden te Dundee, Elandslaagte en Ladysmith te bezoeken, en ook omdat het bekend was dat Generaal Buller daarheen met zijne hoofdmacht wilde gaan. Er zou dus heel wat aan de Tugela spoedig voorvallen, meenden wij, en onze kunstenaar rekende er op een bataille uit het leven te gaan schetsen.

Na eenige dagen te Newcastle vertoefd te hebben, om een paar schetsen te maken, stoomden wij voort naar Elandslaagte, die destijds de basis van al de zuidelijke operaties was. Later werd er te Modderspruit een perron (»platform”) en eenige loodsen door de Z. A. S. M. gebouwd, die den commando's van grooten dienst waren, maar Elandslaagte bleef altoos de terminus voor de groote ossenwagens en een belangrijk depôt van het Commissariaat-departement. Wat een leven en woeligheid op het kleine station in de Zondagsriviervallei! Gebouwen waren er overvloedig in de nabijheid, zoowel voor goederen als menschen. De plaats was wel gekozen door Generaal Joubert en later volgde ook Generaal Buller maandenlang zijn voorbeeld, toen de Natalsche commando's de Biggarsberg hielden.

Tot onze verwondering zagen wij (welk eene verlichting, om nu dat woordje »wij”, in plaats van het vervelige »ik” te mogen bezigen!), dat er ook boerenvrouwen daar logeerden. Sommigen woonden er pal, anderen waren op bezoek; allen waren echter, waar zij niet behoorden te zijn. Niemand nam het den Generaal ooit kwalijk, dat zijne oude, trouwe levensgezellin en »krijgskamerade” maanden lang bij Ladysmith in het hoofdlager vertoefde; zij was een historisch figuur van den oorlog 1880–81—zij was een noodzakelijk bijvoegsel, als 't ware, tot »Oom Piet”. Er lag dus geen humor hoegenaamd in zijne strenge bevelen, dat geen vrouwen (behalve die aan 't medisch departement verbonden waren, natuurlijk) bij de commando's mochten worden toegelaten. Newcastle en Dundee wemelden reeds van vrouwen, die hun mans kwamen bezoeken. Nu is de voorhoede van het Amazonen-leger al te Elandslaagte! Zou dat den krijgslust verder zuidwaarts bevorderen? Zou dat onze menschen niet naar huis doen verlangen? De geschiedenis der twee Republieken toont meer dan één treurige bladzijde onder het opschrift: »Huis toe”. Hoe zal het gaan als de »verlofpest” (zooals het aanhoudend gekerm om verlof later bestempeld werd) onder ons uitbreekt? Ter eere onzer burgers dient echter gezegd, dat (voor zoover mij bekend is) slechts eenige weinige echtgenooten van »burgers op commando” toegelaten werden, om verder dan Elandslaagte te gaan. In het westen, rondom Kimberley en zelfs bij Magersfontein bijvoorbeeld, ging het erger. Maar hierover later.

De verlofziekte is eene natuurlijke onder mannen, die niet als gehuurde soldaten te velde trekken. De meeste burgers zijn gehuwd; zij hebben vrouw en kind tehuis; zij hebben grond en vee en akker, om naar om te zien. Als zij eene maand op commando zijn, verlangen zij naar hunne woningen terug te gaan. Als het twee maanden wordt, smeken zij hun commandant om verlof. Als zij drie maanden van huis zijn, breken zij den Generaal het hoofd, als hij ze geene kans geeft, om eenige weken naar vrouw en kind en plaats te gaan. 't Is wel jammer, dat er niet van den beginne af aan een bepaald systeem van verlof werd vastgesteld—eene wet die automatisch en algemeen kon werken, en in de natuurlijke behoefte om naar huis te gaan kon voorzien »zonder gunst of vrees.” Hoe ging het thans? Het persoonlijk element trad op den voorgrond. Een burger gaat naar zijn Commandant, wiens tent ten allen tijde voor hem open staat. Daar nu, ten aanhoore van elk een, die er mocht zitten rooken of praten, wordt zijn verzoek ingediend, besproken, overwogen en afgehandeld! Heel gezellig, familiaar, losjes weg gaat het toe—en toch wordt er een allergewichtigste zaak beslecht. De toekomst van den oorlog is in de verlofkwestie begrepen—dat moet de Commandant natuurlijk weten. De onmiddellijke toekomst van den burger—hetzij hier te blijven of zijne vrouw te gaan zien—weegt natuurlijk het zwaarst bij den applikant. Zulke dingen moeten volgens vaste regels, geheel en al onpersoonlijk, geregeld worden. Het is een aller pijnlijkste positie, waarin een Commandant geplaatst wordt, als hij in elk bijzonder geval als rechter in zulke brandende kwesties moet optreden.

Het gevolg bleef niet lang achterwege. Het bleek heel spoedig, dat terwijl één Commandant bijna geen verzoek weigerde, een andere bijna elkeen afsloeg. Binnenkort ontstonden er natuurlijk ontevredenheid, twist, klachten bij den Commandant-Generaal, telegrammen naar den President, ja een menigte klaagliederen van verontwaardigde Penelope's, die heur mans zeer beminden en erg van noode hadden, trilden door de lengte en breedte van het land.

De bepaling werd toen gemaakt, dat slechts de Generaal of diens plaatsvervanger (de verschillende Hoofdgeneraals) verlofbrieven mochten uitreiken. Zóó ging het wel wat beter, daar de Generaals zeer karig in 't uitreiken van »huis-toe-gaan passen” waren, maar het spreekt van zelf, dat de moeielijkheid hoegenaamd niet daardoor opgelost werd. Een vast stelsel, eene wet met bepaalde regulatiën ontbrak er. De gewichtige kwestie hield de aandacht van beide Presidenten en hun raadgevers en voornaamste Krijgsofficieren gedurig en lang bezig, want men gevoelde, dat zij een levenskwestie voor de Federalen was, en later werd er een soort van formule gevonden, waarop wij later mogelijk terugkomen; maar de vraag mag wel gedaan worden: »Of het mogelijk is, een leger van boeren en burgers, die niet betaald worden, op het punt van verlof onder vaste, systematische militaire regelen te brengen!”

Het was waarlijk vermakelijk daar te Elandslaagte, om den stroom van komende en gaande burgers gade te slaan. Beide waren even gelukkig, beide schenen even talrijk. Zij reisden allen met eerste klas biljetten, die vrolijke kerels. Niemand wilde in een tweede klas rijtuig gaan zitten. De Regeering betaalde voor alles, ook voor de spoorwegkaartjes. Waarom dan niet zoo lekker als mogelijk reizen? Op weg bij de stations kregen zij versch brood, blikjes vleesch, jam, visch, tabak—wat wil men meer? Koffie kon men op weg voor 6 d. per kopje koopen. O! welk een pret! Zij lachten en zij tergden elkaar, als groote schooljongens. Zij groetten elkander luidruchtig, wanneer twee treinen elkander passeerden. Ping—ping—ping vlogen de Mauserkogels door de lucht achter een wild bokje aan: de trein in volle vaart, het wild in dollen angst. Ping—ping—ping—ping—ping; uit elk raam staken de roers en de schaterende gezichten. De Regeering was rijk; er was overvloed van ammunitie; »Oom Paul” had er voor gezorgd! Schiet maar op, kerels! Ha! Ha! Ha! hoe loopt het diertje. Allemaal mis! Hij is vrij. Het was wel verboden, dat verspillen van patronen; maar wie stoorde zich in die dagen aan een verbod? Er was wel eene boete van £ 5 op dien misdaad gelegd; maar wie klaagde ooit een burger (die onbetaald voor zijn land ging vechten) aan, en welke vrije burger heeft die boete ooit betaald, indien aangeklaagd en schuldig bevonden? Druk maar op, jongens, schiet! O 't is zoo heerlijk, dat schieten met de nieuwe Mausers, die zoo goed treffen, met patronen, die geen penny kosten. Zulk eene kans komt nooit weêr! Zulk een holiday keert nimmer terug! Neen—dat 's waar ook.... De holiday ging spoedig voorbij, om niet weer terug te keeren! Buller en Methuen, French en Roberts, met hun kwart millioen troepen en honderden kanonnen en duizenden lyddiet bommen hebben de prettige vacantie eenigszins gestoord.

En toch—gunnen wij van harte hun die korte vroolijkheid en brooddronkenheid. De burgers lezen geen sensatiewekkende romans. Zij bezoeken geen schitterende theaters. Zij verlustigen zich niet in de heerlijke muziek van schoone opera's. Zij worden niet geboeid door de groote geschiedenissen van oudere en nieuwere volkeren. De betooverende kracht van de beroemde werelddichters en schilders is hun nog niet bekend. (Wij spreken natuurlijk van de overgroote meerderheid onzer burgers.) Ja, van heeler harte gunnen wij hun al die vreugde, al die weelde, al die uitgelatenheid. Zij hebben het zwaar gehad, en zij zullen het nog zwaarder krijgen. Hun leven was altoos eentoonig; het kanongebulder bij de Tugela zal hun weldra tot dagelijksche muziek moeten dienen. Vermaken hebben zij niet vele, en spoedig zullen zij stof leveren voor vele romans. De genietingen der hoogere beschaving kennen zij niet, maar zelf zullen zij ten tooneele optreden en de wereld met hun opera's verbazen, terwijl toekomstige Afrikaansche dichters, schilders en schrijvers hunne daden zullen vereeuwigen. Het een en ander zal echter veel bloed en tranen en lijden en ellende kosten. Dus—geniet den vroolijken dag van heden, jongens. Gij weet nog niet wat het woord oorlog alles met zich meêbrengt. Gij weet nog niet hoe vele troepen en hoe veel schepen en hoe veel hulpbronnen Engeland bezit.

Ai mij! indien gij alles vooruit wist!.... maar neen! 't is beter zoo. De handschoen is neergeworpen. Tot het bittere einde gaat het! God zegene u, geharde, taaie, eenvoudige, zorgelooze, lachende, schietende schare van reizende medeburgers! Als ware »sportsmen” treedt gij het gevaar te gemoet. Gij haat den »Rooinek” niet—neen! dat niet!—er wordt slechts gejaagd, gebuit, geschoten, gegeten en gedronken, en dat vindt gij zoo prettig, niet waar? »Goeien dag dan, burgers! Pleizierig!”—morgen en overmorgen en nog lang daarna zullen wij weenen en begraven. Heden wordt er gelachen en geschertst.

Wij bezochten Dundee, van Glencoe onze wielen gebruikende. Den volgenden dag ging het naar »de plaats van Maritz”, waar de paar honderd Engelsche ruiters werden vastgekeerd. Dat was eene onderneming per bicycle. Ouf! welke wegen, welk eene hitte, welk een zweeten en zwoegen was dat! Een fraaie schets van het tooneel—ziedaar! ons loon voor een zwaar dagwerk.

Naar Talana Heuvel (waarop de dappere Veldkornet Sassenberg en nog vele brave burgers begraven zijn) ging het gemakkelijker. Wij reden tot de plaats, waar Generaal Sir Penn-Symons van zijn paard geschoten werd (Smith's Farm) en toen ging het te voet den berg op. Alle eer der Engelsche Infanterie voor hare bestorming onder een kogelregen nog al, van dien steilen heuvel. Het kostte hun veel tijds en veel bloeds, maar een zeker aantal kwam toch eindelijk boven op den top. Waren de twee muren van losse steenen niet daar op de helling, zij bereikten hun doel nooit. Vooral de lange muur, die van noord naar zuid liep en den geheelen heuvel in de breedte in tweeën deelde, vormde een volmaakte borstwering tegen de Transvaalsche scherpschutters, die er boven op den heuvel stonden. Wat wil men meer? De muur was sterk en hecht en hoog en lang genoeg om eenige regimenten te dekken. Zij aan zij, schouder aan schouder, knielden de Britten daar achter, terwijl de Republikeinen aan bom en schroot en geweerkogel waren blootgesteld. Wij vonden er wel eenige duizenden ledige Lee Metford-patronen achter die welkome, natuurlijke vesting. Zij schijnen er werkelijk te hebben getabernakeld, eer zij verder opwaarts gingen. Zij bleven er inderdaad wachten, totdat onze kanonnen tot zwijgen gebracht waren en de Boeren nauwelijks het hoofd konden oplichten.

Wij zagen de plaatsen (onder bij Dundee), waar de Engelsche kanonnen getrokken werden—geen 3000 treden van den top des heuvels! Er waren slechts 2 Krupps, 1 Fransch kanon (Creusot snelvuurder), en een handmaxim op Talana Kop. En op een spitsvormigen heuvel, rechts van Talana (van Dundee kijkende) stond er slechts één pom-pom, zonder meer. Deze stukken en niets meer weerstonden het vuur van al het grof geschut uit Dundee: 12 kanonnen (Armstrongs) die tusschen 2000 en 2300 treden van ons vuurden, en nog 6 van hetzelfde kaliber bij het kamp. Om half tien ure moesten onze stukken het vuur staken: zij werden eenvoudig weggenomen naar achteren en alzoo in veiligheid gebracht. Toen werd er met verdubbelde energie om het verdunde klompje Boeren boven op Talana gebombardeerd, en—de Infanterie kon den langen muur eindelijk verlaten, om vooral door hun eigen kanonnen in den rug met schroot begoten te worden. Arme kerels! Zij verdienden een beter lot. Zij streden zwaar en lang en moedig—en toen zij den laatsten, steilsten, zwaarsten sprong deden, maaiden hunne eigene Artilleristen ze bij tientallen af!

Maar hoe is het, dat de Boeren dien prachtigen muur niet in bezit namen? Er is een breed terras achter dien muur eer de laatste, korte steilte naar den top begint. De muur omzoomt het terras. De plek was uitgeknipt voor onze Mausers en geen voetvolk zou van Smith's Farm levend bij dien muur zijn aangekomen, terwijl geen granaat of granaat-kartets ze achter dien steenen zoom zou gedeerd hebben. 't Is wel jammer, dat er slechts weinige Boeren van die prachtige positie gebruik maakten, maar àl oorlog voerende leerden wij oorlog voeren. 't Was onze eerste slag in den oorlog en onze eerste aanval op Britsche troepen (met kanonnen). Dit ééne feit bedekt veel, zeer veel, in verband met de verwarring en mislukking van den stoutmoedigen aanval op Dundee.

't Was terwijl de heer Oerder dien onvergetelijken muur teekende, dat een onbekende zijn splinternieuwe bicycle buit maakte! Hij had een ander bij Smith's Farm gelaten, geen mensch ziende, geen diefstal vermoedende. Aangenaam zat hij te schetsen, maar die schets kostte hem nog duurder dan de vorige. Nooit meer per wiel in Natal reizen, vooral niet in oorlogstijd! Wij fabriceerden een armoedigen plaatsvervanger uit een aantal oude, versletene, lamlendige bicycles, die wij in de publieke kantoren van Dundee vonden, en hij reisde zijn weg verder al krassend en krakend en binnensmonds groote woorden mompelend. Mijn wiel had ook zijn eerste lustrum al achter den rug, zoo verschafte ik mijn vriend een passend accompagnement voor de geluiden, die hij maakte.

Schoone, golvende heuvelen van Natal. Den dichter doet gij denken aan machtige golven, al golvende versteend op den boezem eener wreede, prozaische aarde. Den schilder, helaas! herinnert gij slechts aan kreunende en steunende en afmattende apologieën voor bicycles.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings