XXXII
Reading edition
Rondom Kimberley via Warrenton
In Italie treedt de reiziger dikwijls op het edelste marmer van Carrara, zonder het te weten. Er zijn marmeren trottoirs langs de straten en marmeren vloeren in de kerken, die zóó vuil zijn, dat wij op hun waarde geen achtgeven, totdat een mede-reiziger ons erop wijst. Zoo staat het heden in Zuid-Afrika, in verband met veel, dat edel en groot en voortreffelijk is. Men ziet de waarde ervan niet in. Men vertreedt het met onheilige voeten. Men bekladt het met onbesneden lippen. Men veracht het met ongastvrije harten. Het hoogste patriotisme wordt door vele, zeer vele mannen en vrouwen als eene misdaad veroordeeld. De edelste heldenmoed wordt bespot. De liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid wordt gehaat en gestraft. Veel, o! zoo veel, dat er op de school als idealen door onze meesters werd afgeschilderd, wordt thans als schandalen gebrandmerkt. Is de deugd dan even veranderlijk als het klimaat? Zijn het hooge en het lage dan met elkander te verwarren? Bedriegt het hart ons, wanneer het met inwendigen donder verkondigt: »dat is waarlijk schoon, edel, recht?”
Helaas! het reine marmer wordt door vuile, onsympathieke voeten betreden en besmet. De meerderheid der inwoners van Zuid-Afrika zijn op 't oogenblik met blindheid geslagen. Later zullen zij weer het oneindig verschil tusschen edel en onedel, recht en verkeerd inzien. De Oorlog en de Krijgswet hebben onnatuurlijke gevoelens en maatstaffen in het leven geroepen, en de aloude scheidslijnen tusschen goed en kwaad zijn thans niet geldig.
Een Transvaalsch burger en ambtenaar verraadt de oorlogsgeheimen zijner Regeering aan de vijanden van zijn Staat. Zijn bedrog wordt eerst uitgevonden na de komst der Engelsche legers te Pretoria, en de man ontvangt brieven van dank en lof van hooge authoriteiten. Zijne sympathiën waren Engelsch: dat bedekt al het kwaad. Een Koloniale Afrikaander van Hollandsch Hugenooten bloede geeft voedsel aan een bloedverwant, die uit de Republieken gewapend tot hem gekomen is. Hij doet zulks niet uit vijandschap tegen zijn wettige overheid, maar uit liefde voor zijn eigen vleesch en bloed. Hij blijft loyaal en getrouw aan zijne Regeering en Vlag,—maar vindt zich weldra in den tronk en wordt mogelijk zwaar beboet. 't Is best mogelijk, ja vrij wel zeker, dat er gelijkluidende gevallen tegen de Boeren authoriteiten kunnen worden aangehaald. Het ligt in den aard van elken oorlog, en vooral van elken burgeroorlog, om zulke verwarringen en omkeeringen op zedelijk gebied te voorschijn te roepen. List en bedrog, leugentaal en laagheid bevorderen immers »de goede zaak des strijds”. Derhalve worden zij geëerd, geprezen en beloond. De bekende valsche stelregel komt in vollen zwang, openlijk en onbeschaamd voor het aangezicht van de hooge zon: »Het doel (namelijk: de zege) heiligt de middelen.” Liefde, trouw, eerlijkheid, mannelijkheid—eenige deugd, die de krijgsoperaties in den weg staat, of gezegd wordt te staan—is anathema. »'t Is o-o-r-l-o-g,” wordt er schouderophalend gezegd; »de oude, eeuwige zedewet is voorloopig uitgewischt.”
En het arm, onnoozel, oppervlakkig gepeupel, door partijbladen opgezweept en partijgevoel weggesleept, zegt »Amen” op den onnatuurlijken en belachelijken toestand van zaken en volgt de heerschende mode na. Gelijk een klomp ezels op dezelfde wijze balken, zoo raken zij allen dezelfde geijkte termen en scheldwoorden kwijt. Gelijk een hoop lafaards voegen zij zich steeds bij de winnende partij. De »rechte” kant is voor hen de kant, waar het meeste geld bij te verdienen valt. Eigen huid en zak zijn immers de groote afgoden van het algemeene publiek. En als de oorlog voorbij is?—Dan gaat de tijdelijke krankzinnigheid op moreel gebied ook voorbij. Dan eindigt de zonsverduistering op heroïek gebied. Dan hoort men van alle kanten van »de dappere Boeren”, de »standvastige Boerenvrouwen en dochters”, de »knappe Boeren-Generaals”, de »wonderbare liefde voor de onafhankelijkheid”, de »edele hartstocht voor de vrijheid” en het »onuitblusschelijke vuur van patriotisme”, dat alle zelfzucht en eigenbelang kan verteeren. Ja, dan ziet elkeen het schitterende marmer onder het vuil, het goud te midden van het slijk, de helden verre boven de zwakken uitblinken. En de menschen, die zoo luide tijdens de Krijgswet precies het tegenovergestelde uitbazuinden, zullen vooraan staan in het nieuwe concert, en geheel en al vergeten, hoe zij kort te voren met de ezels gebalkt hebben.
Ach! wat een geluk, dat de genadige Voorzienigheid steeds wat humor bij den bittersten levensbeker mengt. Wie zou het anders op den duur op aarde kunnen uithouden? Lacht dan, vriend, als gij lachen kunt, over het kluchtige, het komische, het gekke, dat er in en onder en achter de treurige verschijnselen des tijds schuilt. Er is veel stof tot lachen—als de tranen u niet te gauw zijn. Helaas! de kinderen sterven bij duizenden in de »Concentratie kampen”, de vaders en zoons sneuvelen bij honderden in het veld en op de heuvelen van Zuid-Afrika—hoe zullen wij dan lachen? Het gaat den echten Hollandschen Afrikaander thans als den Israëlieten aan de rivieren van Babel: »hoe zou hij kunnen zingen”, of lachen? Gelijk Andromache staat de Zuid-Afrikaansche vrouw op de muren van een met ondergang bedreigd Troje, »door de tranen glimlachend” (δακρυων γελασασα), als er soms een glimlach zich plooit.
Geduld! De Tijd zal alles recht maken. De geschiedenis heeft menige bladzijde, waarop er »Kruis Hem” en »Hosanna” dicht bijelkander geschreven staan. Wat recht en nobel en waar is, moet toch eindelijk boven drijven. Het marmer blijft marmer, trots al het slijk er op geworpen. Lacht ze dus vrij uit, die tegen de wetten der natuur kampen. Lacht—eer de tranen uw lachen dempen.
Vraagt gij mij: wat het voorgaande met mijn opschrift boven dit hoofdstuk te doen heeft? Het antwoord is heel eenvoudig. Ik ging met mijn licht rijtuigje en »Lady” om Kimberley via Warrenton, en—durf niet eens de namen noemen van velen, die ik zoo gaarne in dit boek had willen prijzen. De Rebellen en de Warrentonners hebben mij veel liefde en vriendschap bewezen—maar »de rechtvaardige zwijgt, daar de tijden boos zijn”. De hartelijkheid, aan een ouden vriend en raadgever en leeraar bewezen, noemt men »verraad”. De goede vrienden, die mij gehuisvest en gevoed hebben, mag men »disloyaal” en »gevaarlijk” en »onbegeerlijk” (undesireable) vinden, en uit de heilige, vlekkelooze, »loyale” samenleving verbannen. De man, dien ik prijs, kan daardoor in de gevangenis komen; de vrouw, die mij wel deed, kan daardoor in moeilijkheden zonder tal gedompeld worden. Als ik iemand als goed en edel en flink aanteeken, zal men mogelijk mijne woorden geheel en al misverstaan en verdraaien—want waarlijk, de toren van Babel wordt thans weer van nieuws af aan in ons land gebouwd!
Onvergetelijke, trouwe Vrienden en Vriendinnen uit de gemeente Warrenton! Uw namen zijn verzwegen; uw goedheid blijve leven. Waar zijt gij allen nu? Ik reik u de hand van vriendschap tot aan de onbekende plaatsen, waar gij u mocht bevinden. Zijt gij in de gevangenis? Ik druk uw hand des te inniger, en dank u des te hartelijker voor de gastvrijheid en vriendschap aan mij en vele andere Republikeinen bewezen. Uw heerlijke druiven en vijgen en perziken hebben onze »zomerdroogte in sap veranderd”. De dagen, ja weken, die ik onder u doorbracht in den oorlog, hebben mij de jeugd vernieuwd en de krachten hersteld. Vergeef het mij, dat ik uwe namen niet neerschrijf. Om uwentwille zwijg ik. Gij hebt reeds genoeg, meer dan genoeg voor uwe natuurlijke sympathieën met uw Republikeinsche broeders geleden. Och! dat ik u troosten kon, zooals in de goede oude tijden, toen ik onder u woonde en in en uit ging. Wie weet? Mogelijk kon ik u nogmaals toeroepen—zooals ik verleden jaar deed—»En gij, Warrenton, zijt gij klein onder de duizenden van Zuid-Afrika?” Als die blijde dag echter daagt, dan hoop ik—met uw verlof!—dat het mij niet noodig zal zijn, om wederom een zwarten jas van uw Dominé, een wit hemd van uw Schoolmeester en een paar nieuwe laarzen van uw Vrederechter voor dat doel te commandeeren!
Wat de Boeren-kampen rondom Kimberley betreft, daaromtrent heb ik niet veel te zeggen. Te Olifantsfontein vond ik Generaal—of Hoofd-Commandant, zoo als de Vrijstaters het hebben—I. Ferreira. Eenvoudig, hartelijk, eerlijk, beminnelijk en dapper mag hij wel genoemd worden, die lange, gespierde, mooie man. Ook hij kon, echter, weinig te Kimberley uitrichten. De groote grondhoopen (débris) rondom de stad vormden volmaakte forten. Met duizend man kon men de stad wel een jaar lang tegen tien duizend verdedigen, indien het noodige voedsel slechts voorhanden was. Onze kanonnen waren weinig in tal (vijf of zes), en wat konden zij tegen die groote grondforten uitrichten? Zelfs Long Tom bulderde zich heesch tegen de stad, en—doodde een paar onschuldige personen. De kring om de stad was ook zóó reusachtig groot, dat er wel tienduizend of meer burgers noodig waren, om allen toevoer van vee te voorkomen. Hoe langer het beleg echter duurde, hoe kleiner werd het getal burgers, die het kordon erom moesten trekken. Van alle kanten riepen de Generaals: »zend manschappen, meer manschappen”—en, helaas! de »verlofziekte” nam ook geweldig toe. Het leegliggen en nietsdoen om de belegerde steden deden »onze menschen” veel kwaad, al was het dan ook alleen, omdat zij daardoor des te meer naar huis verlangden. Zij waren immers geen gehuurde soldaten en zagen geen gevaar, tenzij het duidelijk en zichtbaar voor hunne oogen stond.
Van Olifantsfontein ging ik naar het lager der Warrentonners en Barkly West-manschappen, dicht bij Dronfield Siding, ten noorden van Kimberley. Van hen hooren wij later meer. Op den namiddag van 7 Februari stond ik voor de tweede maal daar. Long Tom zou dien namiddag zijn gevreesde basnoten doen hooren van het noordwesten der stad. Sommige burgers verwachtten groote dingen van den ouden veteraan, die bij Lombard's Kop op 8 December 1899 zoo zwaar gewond werd. Ik had den invaliede in de Z. A. S. M. werkplaats bij het Pretoria-station gezien, toen men hem er een halve voet van voren had afgesneden, en werkelijk ook een nieuw stuk achteraan wist te voegen: 't Was een meesterstuk! Vandaar ging de oude op reis per spoor naar Bloemfontein, en toen weer langzaam en hijgend per os naar Boshof. Intusschen was Léon—en met hem ditmaal ook Kolonel de Villebois—te Magersfontein geweest, om een geschikte plek voor het vestingkanon te zoeken. Generaal Cronjé was zeer begeerig het groote kanon op Methuen's Kamp een weinig te doen brullen, maar de heer Léon achtte Kamfersdam de beste positie ervoor, mits de verschillende commando's om Kimberley nader naar de stad trokken. Wel, daar zag ik de bekende, groote rookkolommen van Pepworth's Heuvel en Lombard's Kop en Bulwana, spoedig door de geweldige donderslagen gevolgd. Ditmaal, echter, zag ik iets, dat ik te Ladysmith nooit had gezien: een groot huis in de vlammen. Dien eersten dag reeds raakte er een pakhuis in brand. Veel meer, echter, heeft Long Tom redivivus niet uitgericht, als men de vreeselijke angsten der arme vrouwen buiten rekening laat.
Arme, zwakke, gevoelige vrouwen! Wat hebt ge niet veel in zoo'n oorlog te lijden! Hoe wordt uw teeder gestel niet dagelijks geschokt! Uwe gezondheid ondermijnd! En hier staan wij, buiten de stad in volmaakte veiligheid te lachen over de stofwolken en de vlammen door ons staatmaker kanon veroorzaakt. Geduld maar! Over weinig dagen komt onze beurt weer om te sidderen en te beven. »Die het laatst lacht, lacht het lekkerst.”
Den dag daarop bevond ik mij bij Vecht-Generaal du Toit, van Wolmaransstad. Zijn hoofdkwartieren waren bij een fraaie hoeve, halverwege tusschen Riverton (op de Vaal) en Kimberley gelegen. Het water der rivier werd te Riverton door stoommachines uitgepompt en naar gemelde halfweg-station door ijzeren pijpen gevoerd. Vandaar werd het water verder naar de groote stad gepompt. Fraaie vruchtboomen stonden er in de prachtige tuinen om het huis thans te verdrogen. Water was er in overvloed, maar de oorlog denkt niet aan boomen planten en benatten. De oorlog verwoest slechts. De lieflijke »oase in de woestijn” was er niet meer.
Van de »oase” naar Kampersdam is het nauwelijks eene mijl. Laatsgenoemde plaats zag er veel bedrijviger uit, toen ik er op 9 Februari aankwam. De Warrentonners waren er in vollen getale in de mijngebouwen en de fortjes vóór de mijn, om het kanon tegen alle aanvallen uit de stad te verdedigen. Wat waren zij vroolijk en opgewekt! Er werd hevig gebombardeerd dien dag, en zij waren er bij. »Wat een aardig geval!” Bij hun vorige lager zag ik de jongeren onder hen een »cricket-match” tegen de Boshoffers spelen. Wat een pret levert zoo'n belegering toch op! Twee Engelsche kanonnen vuurden gedurig op Long Tom: één van Otto's Kopje, wat rechts van Kamfersdam (ten westen van de stad), het andere uit een fort bij Kimberley. Het tweede was de beroemde »Long Cecil”, een 29-ponder, die snel en geducht kon vuren. Onze pret dien dag bestond in het staan boven op de zandbakken van Long Tom's fort, met veldkijkers voor de oogen, om te zien, waar de projectielen neerploften. Er werd vooral op zekere bekende gebouwen gemikt, maar telkenmale rezen er slechts roode stof kolommen omhoog, zonder meer. Long Cecil schoot meer dan eens in de zakken, waarop wij geen tien seconden te voren gestaan hadden, maar de vlam waarschuwde ons natuurlijk intijds, om ter aarde te vallen. Dikwijls regende het blauw gruis en zand op onze hoeden en jassen.
Zoo gingen wij voort, totdat onze wacht mij en een vriend—wien ik ongelukkig niet mag noemen—vergat te waarschuwen, dat het kanonnetje van Otto's Kop gevlamd had. Boem—hoorden wij, aan ons rechterkant dreunen, terwijl wij hoog en prominent op de zandzakken stonden. In een oogenblik vielen wij als stukken lood ervan af, om de bom schram boven onze hoofden te hooren voorbij snorren. Hé, dat was onpleizierig. Wij rilden—en wenschten elkander geluk—en hielden op met de pret.
Den 10den verliet ik Generaal du Toit, die mij bijzonder vriendelijk had ontvangen, hoewel wij elkander onbekend waren. In 't voorbijgaan zag ik Léon en de Villebois voor hunne tent staan. Zij waren in een druk gesprek gewikkeld. De zaken liepen hun niet naar den zin. De Krijgsraad nam besluiten, om van alle kanten »nader te stormen” (zoo noemde men het), maar de daad bleef achterwege. Even als te Ladysmith, zoo ging het ook te Kimberley. Er was geen eendrachtige samenwerking. De Villebois was verstomd, maar hij wanhoopte niet, want hij wist, wat er in den Boer zat. Léon was bekommerd, want het groote kanon was in gevaar, tenzij de burgers het kordon om de stad nauwer toehaalden, en de vijand alzoo beletten om alle aandacht aan Long Tom te wijden.
»Ik zal verplicht zijn het groote kanon terug te trekken, als al de posities, zoo als door den Krijgsraad besloten, niet van avond bestormd worden”—seinde hij voor het laatst naar Pretoria. Nog één dag zou hij de burgers eene kans geven, om een voorwaartsche beweging te doen. Dienzelfden dag, echter, trof hem een Lee Metford kogel in het hoofd, vlak boven het rechteroog, en hij werd voor dood naar een Veldhospitaal gebracht. Eenige scherpschutters uit de stad waren in den nacht tot in de »Brick Fields”, zoo wat 2,500 of meer treden van Kamfersdam, gekropen, vanwaar zij den energieken, kleinen, tengeren Franschman bijna een doodschot toebrachten. Indien Homerus dit verhaal nu verder kon opnemen, zou hij gewis een of anderen god als Artillerist doen optreden, of Long Tom als woedend en wraakzuchtig voorstellen, wegens de wond aan zijn chef bezorgd, want ziet! wat gebeurde er kort daarop? Labram, de knappe schepper van Long Cecil, werd door een der weinige bommen, die een doodelijke uitwerking in de stad hadden, verpletterd. Zulke episoden zijn waarlijk Homerisch.
Het eenige Transvaalsche lager van Kimberley, behalve dat bij de Waterwerken, lag ten zuidwesten der stad. Het was eenige uren rijdens van het eerstgemelde verwijderd, maar zwaarder zandpad ben ik nog nooit in mijn leven doorgegaan, als dat ten westen van de diamantvelden. Mijn arm paard had het geweldig zwaar, te meer omdat de zomerzon hevig brandde. Na veel zwoegen en zweeten kwamen wij bij het kamp der Lichtenburgers onder Commandant Vermaas aan. Het zag er treurig uit te midden der zandwegen en ver van het water. Geen wonder, dat men niet nader naar de stad schuiven kon. Er was geen water! Het was op de voorpunt van de Lichtenburgsche posities—destijds door de Bloemhoffers bezet—dat Scott-Turner tweemaal een aanval waagde en zijn leven verloor.
Na den middageten reed ik verder naar Scholtznek. Ten zuiden der stad, dicht bij de spoorlijn, waren de Bloemfonteiners, onder Generaal Kolbe (Spijtfontein enz.). Als men den spoorweg oversteekt, volgt het Boshofsche legertje, te Alexandersfontein en verder dan heeft men de Winburgers.
Het juiste getal burgers om Kimberley in die dagen is moeilijk te bepalen. Men kwam en ging. De Transvalers telden, echter, niet meer dan 1500 man; en de Vrijstaters mogelijk 2000. De Rebellen bedroegen precies 230, in drie klompjes gesplitst: die van Barkly West, onder Commandant van Aswegen, die van Warrenton, onder Veldkornet Joubert, en die van Griqualand-West, onder Veldkornet Steyn. De twee laatstgenoemden werden later bij Dronfield onder Commandant van Aswegen, vereenigd en deden een goed werk in een kritiek oogenblik.
Zoo ging het rondom Kimberley toe. De inwoners aten nog ¼ lb. vleesch en 14 onz. brood per dag, volgens een correspondent van de Argus, wiens brief door Generaal Cronjé onderschept en aan mij ter inzage verleend werd. Nu, de meeste menschen eten wel twee- of driemaal zoo veel, als zij werkelijk noodig hebben. De mensch kan het met weinig voedsel heel goed stellen. Van hongerlijden zouden de talrijke bewoners en het garnizoen der stad nog lang niet kunnen spreken. De overgave was dus slechts een mirage, die den uitgedroogden burgers van tijd tot tijd voor de oogen schitterde.
Er was ander en beter werk, dat onze burgers hadden mogen en moeten doen. Nooit vergeet ik een gesprek, dat ik te Olifantsfontein met Rechter Hertzog in die dagen had. Hij gaf mij een slaapplek in zijne tent en wij spraken er samen in den nacht tot aan den vroegen morgen. Het hoofd idee van den Rechter was dit: dat de commando's al lang de Grootrivierbrug en De Aar in bezit moesten gehad hebben en nog veel dieper in de Kolonie moesten ingevallen zijn. Scherp veroordeelde hij zekere Commandanten over hun gedrag in deze aan den dag gelegd. Hij had niet het minste geloof in de zoogenaamde belegering van Kimberley, maar pleitte niet voor eene bestorming. Hij wilde het beleg opheffen! Twee commando's, om het garnizoen in 't oog te houden, waren zijns inziens ruim voldoende voor de diamantvelden; de overige burgers konden dan elders hunne sporen gaan verdienen. Hij had er bittere spijt over, dat de heeren leden van den Krijgsraad anders over deze zaak dachten. Zij wilden geen Britsche macht achter den rug hebben. Alsof de duizend man van Kimberley iets konden uitrichten, wanneer zij hunne onneembare grondforten eens verlaten hadden!
Het trof mij zeer, hoe ernstig en vaderlandslievend, en tegelijk onafhankelijk en scherpzinnig van oordeel de geleerde Vrijstater was. Hij was mij een treffend en afdoend bewijs: dat een degelijke opvoeding hoegenaamd niet van iemands geschiktheid voor den krijgsdienst behoeft af te doen. Integendeel. Indien mannen als hij ook van den beginne af aan als Commandanten en Generaals hadden mogen optreden, dan zou het met ons op vele punten beter zijn afgeloopen. Het oude wantrouwen tegen boekgeleerdheid zat er echter nog te diep in het volk. Nu er van de »groote, onfeilbare oude helden” de grootste blunders en misslagen begingen, wendde men zich wat meer tot de jongeren en de meer opgevoeden. Later zien wij dienzelfden Rechter aan het hoofd van een commando dwars door de Kolonie tot aan den Atlantischen Oceaan rijden. Tot zoo iets kon men onze krijgsofficieren in het begin der groote worsteling niet krijgen. Zij waren te bevreesd om van de overige commando's afgesneden te worden.
Het verste, dat men het in die richting bracht, was de tocht naar Prieska; maar de kaart van Zuid-Afrika zal den lezer spoedig aantoonen, dat die expeditie toch niet bij de latere, stoute ondernemingen van een Hertzog en Brand, Kritzinger en Scheepers, Malan en Lategan enz. kan vergeleken worden. Toch waren Generaals Liebenberg en Breytenbach en Kapitein Jooste en Advokaat Cleaver de eigenlijke pioniers op dit gebied.
»Goei'n dag ou maat”!—riep een zwaar gebaarde, lange man mij toe van zijn paard, toen ik er dicht bij Olifantsfontein in mijn sjees voortgleed.
Ik kende hem in het begin niet. Zijn baard was gewichtig als die van Aäron, doch zonder olie en vol stof. Toen hij den mond weer opendeed, herkende ik echter de stem van mijn ouden vriend Cleaver, uit Johannesburg. Zijne stem verried hem, al waren zijne haren als die van een Esau of Nimrod.
»Waarheen gaat het?”
»Naar Prieska!”—antwoordde hij doodbedaard, alsof hij van een picnic sprak. Hij ging mee als Rechtsgeleerde Adviseur en goed werk deed hij daar te Prieska en nog dieper in de Kolonie. Later vernam ik, hoedat de jonge Advokaat in Adam's kostuum dagen lang in de Grootrivier sukkelde, om er een ponton in orde te krijgen. Nog eens zag ik hem als Veldkornet in den slag bij Zes-Mijl-Spruit, dicht bij Pretoria. Helaas! ook hij, even als zoo vele onmisbare mannen aan beide kanten, vond den dood niet op het slagveld, maar in een hospitaal. De geest, die er in Rechter Hertzog was, blaakte ook in hem. Zij waren vol vaderlandsliefde, vol geestdrift voor de republikeinsche zaak, ijverig en werkzaam—en daarbij intellectueel, helder van oordeel en gastvrij van geest.